Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XV.

Chilon liet zich gedurende langen tijd niet meer zien en Vinicius wist niet, wat hij van zijn wegblijven moest denken, tot eindelijk, na dagen lang ongeduldig wachten, Chilon tot hem kwam, maar met zulk een somber gezicht, dat de jonge man verbleekte en nauwelijks de kracht had te vragen:

„Is zij niet onder de Christenen?"

„Ja, heer." antwoordde Chilon, „maar ik vond Glaucus bij hen."

„Wie is Glaucus?"

„Dat is die oude man, met wien ik van Napels naar Rome reisde en bij wiens verdediging ik deze twee vingers verloor. Ik verliet hem stervend in eene herberg en beweende hem lang. Maar nu weet ik, dat hij nog leeft en tot de Christengemeente van Rome behoort."

Vinicius, die het verband niet vatte, maar wel begreep, dat deze Glaucus een belemmering bij het zoeken naar Lygia was, vroeg:

„Maar als ge hem verdedigde, dan moest hij je toch dankbaar zijn en je helpen."

„Ach, waardige tribuun, zelfs de goden zijn niet altijd dankbaar, hoe kunnen 't de menschen dan zijn; hij beschuldigt mij zelfs de oorzaak van zijn ongeluk te zijn. Dat is nu het loon voor het verlies van mijne vingers."

„Schurk! Ik ben overtuigd, dat 't is, zooals hij zegt," antwoordde Vinicius.

„Dan weet ge meer, heer, dan hij, want hij vermoedt slechts, dat 't zoo is. Hij heeft mij nog niet gezien, maar toen ik hem in het bedehuis zag herkende ik hem dadelijk. Ik vroeg naar hem en zijne makkers zeiden mij, dat hij de man was, die op zijne reis van Napels hierheen door zijn metgezel bedrogen was geworden, anders had ik niet eens ge weten, welke fabels Glaucus verspreid heeft. En nu leeft hij, heer, en hat: hij mij gezien, dan zoudt gij mij niet meer levend aanschouwd hebben. Wie zou dan het meisje kunnen zoeken?"

„Wat wilt ge dan, wat moet er gedaan worden?" vroeg Vinicius.

„Ik wenschtt wel, heer, dat deze Glaucus uit den weg

Sluiten