Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geruimd werd, want zoolang hij leeft ben ik in voortdurend gevaar."

„Huur dan mannen, die hem met knuppels doodslaan; ik zal hen wel betalen, hoeveel hebt ge noodig?"

„Duizend sesterziën, om eerlijke moordenaars te kunnen krijgen en geen mannen, die eerst veel geld vragen, om daarmee spoorloos te verdwijnen. Als ik vandaag het geld krijg, dan is zijne ziel over twee dagen in de onderwereld. Ik zal dari dadelijk geschikte lieden gaan opzoeken en hun zeggen welke belooning hun wacht, maar iets moet ik er voor mijzelf van houden, om mijne tranen van medelijden met Glaucus er mee weg te wisschen. De goden weten hoe lief ik hem heb!"

Vinicius beloofde hem de gevraagde som en verbood hem verder nog ooit over Glaucus te spreken. Daarna vroeg hij hem, waar hij zoolang gebleven was, welke berichten hij meebracht en wat hij gezien en ontdekt had.

Chilon kon echter niet veel vertellen. Nergens had hij Lvgia gezien. De Christenen beschouwden hem als lid hunner sekte, en na de loskooping van Euricius' zoon was hij in hoog aanzien bij hen gekomen. Hij hoorde, van hen, dat een hunner voornaamste voorgangers, een zekere Paulus van Tarsus. in Rome in de gevangenis zat en hij had besloten te trachten met dien Paulus in kennis te komen. Maar bovendien had hij gehoord, dat de overste der Christenpriesters, die door Jezus zelf was aangesteld om over de geheele Christelijke wereld te regeeren, binnenkort naar Rome zou komen. Dan zouden er groote bijeenkomsten plaats hebben, die hij ook wilde bijwonen; en omdat 't gemakkelijk zou zijn zich dan tusschen de groote menigte verborgen te houden, wilde hij Vinicius met zich nemen. Daar zouden zij Lygia zeker vinden.

Verdsr vertelde Chilon, dat hij nooit gezien had, dat de Christenen een ezelskop aanbaden, bronnen vergiftigden of het vleesch van kinderen aten. Niets van dat alles had hij ooit gezien. Zoover hij kon oordeelen was het geen godsdienst van misdaden, maar integendeel van goedheid, zachtheid en liefde.

Vinicius dacht aan de woorden, die Pomponia bij Actea tot hem had gesproken. Ofschoon zijn gevoel voor Lygia dikwijls met haat vermengd was, was 't hem toch eene zekere geruststelling, dat haar, noch Pompowia's godsdienst, iets misdadigs of r.fstootends had. Maar er ontwaakte tevens een vern oeden in hem, dat juist deze vereering voor Christus

Sluiten