Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geren verraden werd, kan ik op 't oogenblik niet op zijn naam komen."

„Judas, heer, Judas, die zich later heeft opgehangen," antwoordde Quartus, eenigszins verwonderd, dat men dien naam kon vergeten.

„0, ja — Judas! Heb dank," zei Chilon.

Zij gingen zwijgend verder en kwamen eindelijk aan een houten gebouw, waaruit het gedruisch van maalsteenen tot hen doordrong. Quartus ging naar binnen, Chilon bleef buiten, daar hij in bestendige vrees leefde Glaucus te ontmoeten.

„Ik ben benieuwd den Herkules te zien," zei Chilon bij zichzelf, „is hij een schurk en een slimme kerel, dan kost 't mij wat, maar is hij een eenvoudige, vrome Christen, dan zal hij mijn wensch ook zonder betaling vervullen."

Quartus kwam met een man naar buiten. Zulk eene krachtige gestalte had Chilon nog nooit te voren gezien!

„Hier is de broeder, heer," zei Quartus.

„Christus' vrede zij met u," antwoordde Chilon. „Zeg gij hem, Quartus, dat ik een vertrouwbaar man ben en ga dan in Gods naam naar huis; uw oude vader mag niet noodeloos alleen zijn."

„Dit is een heilig man," zei Quartus, „die zijn gansche vermogen weggaf om mij los te koopen — mij, dien hij in 't geheel niet kende. Onze Heer en Heiland moge hem beloonen."

Toen de reusachtige arbeider dit vernam boog hij zich neer en kuste Chilon's hand.

„Hoe heet gij. broeder?" vroeg Chilon.

„Bij den heiligen doop kreeg ik den naam van Urban."

„Urban, mijn broeder, hebt gij tijd ongestoord met mij te spreken ?"

„Ons werk begint pas tegen middernacht, tot zoolang heb ik tijd."

„Laat ons dan op gindsche bank gaan zitten en ik zal u alles vertellen."

Zij deden dit en Chilon dacht in zichzelf:

„Dit is een goedige, eenvoudige man, die mij Glaucus wel ronder betaling uit den weg zal ruimen."

„Urban," vroeg hij daarna, „hebt ge den Heiland lief?"

„Ja. uit 't diepst mijner ziel," was 't antwoord van den arbeider.

„En hebt ge ook al uwe broeders en z asters in den Heer lief?"

Sluiten