Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Chilon stond insgelijks op. Onderzoekend gleed zijn blik over het door de maan beschenen gelaat van den arbeider; daarna hief hij zegenend de handen op.

„Ga onder de Christenen," zei hij plechtig, „en vraag den broeders naai Glaucus en waar men hem u toont, dood hem dan terstond om Christus' wil!"

„Glaucus," sprak Urban tot zichzelf, als om zich dien naam goed in het geheugen te prenten.

„Kent gij hem?"

„Neen. Èr zijn in Rome duizenden Christenen. Maar morgen nacht zullen in het Ostrianum onze broeders en zusters zich allen verzamelen omdat er een groot apostel van Christus gekomen is, die ons zal leeren. Dan zullen de broeders mij Glaucus wijzen."

„In het Ostrianum?" vroeg Chilon, „dat is dus buiten de poorten der stad. Zullen de broeders en al de zusters ook daar komen?"

„Ja, mijn vader. Daar is ons kerkhof. Wist ge niet, dat de groote apostel ons daar leeren zal?"

„Ik ben twee dagen weg geweest en hoorde 't nog n et. Ook weet ik niet waar 't Ostrianum ligt, want ik ben eerst sedert korten tijd hier. Maar zooals ge zegt zult ge Glaucus daar vinden en hem op den weg naar huis dooden. Daarvoor zullen al uwe zonden u vergeven worden. En nu: \ rede zij met u!"

„Mijn vader —

„Ik luister, dienaar van het Lam!"

Urban begon nu te vertellen hoe hij een oogenblik te voren een, ja zelfs twee man, zou hebben kunnen ombrengen, maar nu bedacht hij zich, dat Christus' leer verbiedt te dooden. Hij had reeds een moord op zijn geweten, uit onbedachtzaamheid begaan, omdat God hem te groote kracht gegeven had. Daarom wilde hij, dat eerst Glaucus door den bisschop of den apostel veroordeeld zou worden en dan zou hij hem dooden. Want als Glaucus eens onschuldig stierf! Hij mocht zich geen nieuwe zonde op 't geweten laden.

Chilon begreep, dat hij bewijzen moest hebben en namen moest noemen om den man gerust te stellen. Plotseling viel hem eene gelukkige gedachte in.

„Luister eens. Urban," sprak hij. „Ik onderricht hier eene zekere slavin, Euniche, in de Christelijke leer. Zij woont in het huis van een van Nero's vrienden, Petronius geheeten. In dat huis nu hoorde ik, dat Glaucus alle Christenen ver

Sluiten