Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zichzelf kende, maar nu dacht hij ook aan een ander wezen. Daarom vroeg hij haar al spoedig, zich niet meer om zijnentwil te vermoeien en ofschoon hij nameloos gelukkig was in hare tegenwoordigheid, zei hij toch:

„Genoeg! Leg u ter ruste, mijne godheid 1"

„Spreek zulke woorden niet tot mij," antwoordde Lygia, „ik mag die niet aanhooren." Maar de uitdrukking van haar gezicht bleef vriendelijk en zij zeide, dat zij bij hem zou blijven tot Glaucus kwam.

„Lygia," zei Vinicius na een oogenblik van stilte, „ik heb u tot nu toe niet gekend. Nu weet ik, dat ik u op eene geheel verkeerde manier trachtte te winnen; daarom zeg ik: keer naar Pomponia Graecina terug en wees er van verzekerd, dat ik u nooit meer kwaad zal doen."

Droevig keek zij hem aan, terwijl zij antwoordde:

„Ik zou gelukkig zijn, als ik Pomponia slechts uit de verte kon zien, maar ik kan niet meer tot haar terugkeeren."

„Waarom niet?" vroeg Vinicius verbaasd.

„Wij, Christenen, weten door Actea, wat er op het Palatium is voorgevallen. Hebt ge niet gehoord, dat de Keizer spoedig na mijne vlucht, nog vóór zijn vertrek naar Napels. Aulus en Pomponia bij zich liet komen en hen, omdat hij meende, dat zij mij geholpen hadden, met zijn toorn dreigde? Gelukkig kon Aulus zeggen: ,ge weet, Gebieder, dat er nimmer een leugen over mijne lippen kwam; ik zweer u, dat wij haar niet geholpen hebben en evenmin weten als gij, wat er van haar geworden is.' De keizer geloofde hem en vergat de zaak. Op raad van den Oudsten heb ik Pomponia niet geschreven waar ik ben. Nu en dan bereikt haar een woord, dat haar zegt dat ik nog in leven en buiten gevaar ben."

Hare oogen werden vochtig van verlangen naar hare geliefde pleegmoeder, maar spoedig herstelde zij zicli weer en zei:

„Ik weet, dat Pomponia ook naar mij verlangt, maar wij vinden troost, waar anderen dien niet zoeken."

„Ta," antwoordde Vinicius, „Christus is uw troost, maar ik begrijp 't niet. Beantwoord mij ééne vraag: Zijt gij gelukkig ?"

„Ja, dat Ken ik," sprak Lygia. „Wie in Christus leeft, kan niet ongelukkig zijn."

„En wenscht ge dan niet naar Pomponia terug te keeren?"

„Van ganscher harte en 't zal ook geschieden, als 't Gods wil is."

é

Sluiten