Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Crispus, een grijsaard, die steeds in eene godsdienstige verrukking leefde, keurde haar plan goed, maar vond geen verontschuldigende woorden voor hare, in zijne oogen, zondige liefde. Hij had geloofd, dat nergens ter wereld een hart klopte zoo uitsluitend voor Gods eer. En deze ontgoocheling deed hem pijn.

„Ga heen en bid God, u uwe zonden te vergeven," sprak hij ernstig. „Vlied den boozen geest, die u ten val wil brengen. God heeft u als door een wonder gered, maar gij bemint niet Hem, maar den zoon der duisternis. Wie is hij ? De vriend en dienaar van den anti-Christ. Waarheen wil hij u voeren? Ik zeg u., 't ware u beter gestorven te zijn, voordat deze slang in uw boezem gedrongen was."

Crispus liet zich door zijn toorn geheel meesleepen. Lygia's zonde vervulde hem met afschuw en verachting voor de vrouwen, die zelfs niet door Christus' leer van Eva's zwakheid konden genezen worden. Hij vergat, dat Lygia rein was gebleven en voor deze liefde wilde vluchten. Woorden van afkeer kwamen over zijne lippen, terwijl hij zijne vermagerde handen dreigend tot haar ophief.

Lygia gevoelde zich schuldig, maar toch niet in die mate. Zij had gehoopt door haar heengaan de verzoeking te overwinnen en daardoor hare zonden kleiner te maken. Maar Crispus, in plaats van haar te helpen, te bemoedigen en te steunen, drukte haar nog dieper ter neer.

„Gij hebt den Heiland bedrogen," zei hij. „Gij liadt uwe ziel als eene kostbare vaas den Heiland moeten overgeven en zeggen: Vul haar met Uwe genade, o, Heer! Maar gij bracht haa" liever aan een dienaar van het booze ten offer. God erbarme zich over u en vergeve u. Hij moge...

Crispus wilde nog verder spreken, maar zij waren niet meer alleen. Twee mannen waren, gelokt door Crispus' luide stem, op het priëel toegekomen en traden het binnen. Een van hen was Petrus, de apostel. Den ander kon hij niet dadelijk herkennen, want een wollen mantel bedekte voor een deel zijn gezicht; op 't eerste oogenblik dacht hij Chilon voor zich te zien.

De beide mannen zetten zich op eene steenen bank neer Het gezicht van den onbekende was zeer mager, zijne oog leden waren rood, zijn neus gebogen; aan het uitgeteerde, maar schrandere gezicht herkende hij Paulus van Tarsus.

Lygia viel op de knieën en verborg vol vertwijfeling het hoofd in de plooien van Petrus' mantel.

Sluiten