Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den voor mij en smeeken iets voor mij af, dat zij genade noemen. Maar niets daalt er in mij neer dan onrust en nog grooter verlangen naax Lygia.

„Ik heb u geschreven, dat zij zich heimelijk verwijderd heeft, maar zij liet een kruis voor mij achter, dat zijzelf uit beukentakken maakte. Bij 't ontwaken vond ik 't naast mijn leger, 't Is nu in het Lararium x) en ik nader het steeds met heiligen eerbied, zonder te weten waarom, alsof er iets goddelijks in verborgen lag. Ik heb 't lief, omdat hare handen 't maakten; ik haat 't, omdat 't ons scheidt.

„Gij hebt geschreven, dat ge tusschen de regels van mijn brief door onrust en droefheid las. Ik treur, omdat ik Lygiti weer verloren heb. Onrustig ben ik, omdat er op onbegrijpelijke wijze iets in mij veranderd is. Ik zeg 't u openlijk: niets is voor mijne natuur afstootender dan deze godsdiens L en toch ben ik mijzelf niet meer, sedert ik Lygia ontmoette. Is 't betoovering of liefde? Toen ik van de Christenen naar mijn huis terugkeerde, verwachtte mij niemand. De slaven dachten, dat ik op reis was en niet zoo spoedig zou terugkeeren; daardoor heerschte er overal wanorde. Ik vond hen dronken aan een feestmaal, dat zij in het Triclinium gaven. Gij weet met hoe vaste hand ik mijne huishouding bestuur: allen bogen de knieën voor mij, sommigen vielen zelfs bewusteloos neer. Hoor nu, wat ik deedl Eerst wilde ik om roeden en gloeiende ijzers roepen, maar dadelijk greep mij een gevoel van schaamte aan en — wilt ge 't gelooven? — een soort van medelijden met deze ongelukkige menschen. Er waren onder hen nog cvude slaven, die mijn grootvader mee van den Rijn bracht. Ik sloot mij in mijne bibliotheek op en daar kwamen mij nog merkwaardiger gedachten in het hoofd. Na alles wat ik bij de Christenen gezien en gehoord had," durfde ik de slaven niet meer behandelen als vroeger — zij zijn ook menschen. Zij leefden de volgende dagen in doodsangst, vast overtuigd, dat ik slechts aarzelde om eene des te wreeder straf te bedenken, maar ik tuchtigde hen niet, ik kon niet. Den derden dag riep ik hen te zamen en zei: ,Ik vergeef u; tracht door ijverig werken 't gebeurde te doen vergeten.' Zij vielen voor mij op de knieën, tranen stroomden over hunne wangen, zij strekten ontroerd de handen naar mij uit en noemden mij heer en vader; en ik — beschaamd beken ik 't — ontroerde 1 Ik meende Lygia's

l) Kapel, waarin de huisgoden stonden.

Sluiten