Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij ijdel noemen. Ge dwaalt, als ge hun godsdienst voor rechtvaardig houdt, want als wij kwaad met goed vergelden, hoe moeten wij dan het goede beloonen? Welk nut heeft t goed te zijn, als wij het eene zoowel als 't andere met gelijke munt betalen?"

„Neen, de belooning is niet dezelfde, maar zij begint pas in een toekomstig leven, dat eeuwig duurt. \ oor hen begint pas het leven na den dood."

„Dat wil zooveel zeggen als: de dag begint, als de nacht aanbreekt. — Wilt ge Lygia ontvoeren?"

„Neen. Ik mag geen goed met kwaad vergelden. Ook heb ik gezworen 't niet te doen."

„Zijt ge van plan hun geloof aan te nemen?"

„Ik wenschte 't wel, maar mijne natuur verzet er zich tegen."

„Zult ge Lygia kunnen vergeten?"

„Nimmer."

„Ga dan op reis."

De slaven meldden, dat de maaltijd Uereid was en terwijl zij naar de eetzaal gingen zei Petronius:

„Gij hebt een deel van de wereld gezien, maar slechts als' soldaat, die van de eene plaats naar de andere ijlt en zich nergens kan ophouden. Ga met ons mee op reis, de Keizer heeft zijn plan niet opgegeven. Onderweg zullen we overal halt houden, zingen, kransen verzamelen, tempels plunderen en als overwinnaars naar Italië terugkeeren. Bij Castorl Dat zal de moeite waard zijn, zoo iets heeft de wereld nog nooit aanschouwd 1"

Met deze woorden nam Petronius naast Euniche plaats; een slaaf legde een krans van anemonen op zijn hoofd en hij hernam:

„Wat hebt ge in Corbulo's dienst genoten? Niets. Hebt ge ooit iets van de wonderwerken der wereld gezien? Nooit. De wereld is groot en de Tiber is hare grens niet. Ik moet den Kei:.er begeleiden en als hij terugkeert, zullen wij Cyprus bezoeken, omdat 't de wensch is mijner goudlokkige godin en haar wensch is mij een bevel."

,,lk ben uwe slavin," zeide Euniche.

Zijn omkranst hoofd aan hare borst leggend, antwoordde Petronius glimlachend:

„En ik de slaaf van mijn slavin, gij goddelijke 1 lk bewonder u van 't hoofd tot de voeten I"

Tot Vinicius gewend, ging hij voort:

Sluiten