Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

157

Nero keek Vinicius verwonderd aan. „Sterker dan Croton ? Gij schertst, Croton was de sterkste der menschen.^

„Ik zeg u, Keizer, wat mijne eigen oogen zagen.

„Waar is die reus nu?"

„Ik weet 't niet, o, Keizer, hij verdween uit mijn gezicht." ..

„Weet ge ook niet tot welk volk hij behoort?'

„Door mijne ziekte heb ik niet naar hem kunnen

vragen." _ ■ ■

„Zoek hem dan en breng hem bij mij. Ik dank u, Vinicius, voor uwe hulp, anders had ik mij zeker het hoofd te pletter gevallen. Maar ik zie u tegenwoordig zoo zelden, zijt ge menschenschuw geworden ? — Hoe gaat 't met dat meisje, waarop ge zoo verliefd waart en dat ik voor u uit Aulus huis liet halen ?"

Vinicius wist niet dadelijk een geschikt antwoord te vinden ; gelukkig kwam Petronius hem te hulp.

„Ik wed, heer," sprak deze, „dat zij reeds door hem vergeten is. Ziet ge zijne verwarring? Vraag hem eens hoevelen na haar hem reeds afleiding hebben gegeven en hij zal u 't antwoord schuldig blijven. De Viniciërs zijn flinke soldaten, vooral in dienst van Amor."

Na een oogenblik van stilte hernam Nero:

„Verveling plaagt mij. Ik ben, den wil der goden volgend, in Rome gebleven, maar kan de stad niet uitstaan. Ik wensch mij naar Autium te begeven, om niet te stikken in deze nauwe straten en stegen. De ongezonde lucht dringt zelfs in mijn paleis en mijn tuin door. O, dat eene aardbeving Rome verwoestte, dat een vertoornd god de stad met den grond gelijk maakte1 Ik zou dan toonen, hoe eene stad moest^ zijn, die het middelpunt der wereld en mijne residentie is.'

„Heer," vroeg Tigellinus, „is het uw wensch, dat een vertoornd god Rome mocht verwoesten?"

„Ja, en wat dan?"

„Zijt ge dan zelf geen god?"

Nero maakte eene handbeweging, die zijne verveling moest doen kennen en antwoordde:

„Gij allen zijt kleingeestig en daarom begrijpt gij niet, dat ik iets oneindig groots noodig heb." Hij sloot de oogen ten teeken, dat hij rust behoefde, en de aanwezigen trokken zich terug. Petronius wendde zich nu tot Vinicius en zei:

„Ge zijt er genadig afgekomen, waarde neef, en dat verheugt mij; je bent een knap man en daaraan schrijf ik voor

Sluiten