Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een deel de genegenheid toe, die ik voor u gevoel. Kondt ge toch eens zien hoe uw gezicht en uw gestalte uwe afkomst van de Quiriten verraden! Ieder ander gelijkt in uwe nabijheid slechts een vrijgelatene. Waarachtig, als die onzinnige godsdienst er niet was, dan zou Lygia nog heden in uw huis zijn. Beproef nog eens mij te bewijzen, dat de Christenen geen vijanden van het leven en de menschheid zijn. Zij hebben u goed behandeld en gij kunt hun daar dankbaar voor zijn; maar in uwe plaats zou ik hun godsdienst haten en ergens anders mijn vermaak zoeken. Ik voor mij vind het in dingen, waarin gij geen lust hebt. Ik ben een liefhebber van boeken, die u onverschillig zijn; bemin de poëzie, die u verveelt; dweep met mooi aardewerk, edelgesteenten en nog vele andere dingen meer, die gij niet aankijkt; en eindelijk heb ik Euniche gevonden, die haars gelijke niet heeft. Ik voel me tevreden in mijn huis vol meesterstukken, maar uit u groeit nooit een man van smaak. Ik ben er zeker van, dat mij 't leven niets beters meer bieden kan; maar gij blijft nog altijd hopen en zoeken. Als de dood u nadert, zult ge, ondanks uw moed, er u over verbazen, de wereld te moeten verlaten; ik echter zal den dood als eene noodzakelijkheid aannemen met de zekerheid, dat 't leven niets meer vermag te bieden, dat ik niet reeds genoten heb. Ik overhaast mij niet en aarzel evenmin, maar tracht tot het einde toe vroolijk te zijn, terwijl uwe Christenen niets dan treurigheid in de wereld brengen. Lieden, wier vaandel het kruis is, zijn mij onverschillig. Luister naar mij. Griekenland was schoon en schiep de wijsheid; wij echter schiepen de macht; waarmee kan de Christelijke leer uwe gedachten dan nog verrijken? Als gij 't weet, verklaar 't dan, bij Pollux, ik kan 't niet."

„Ge vreest, dunkt me, dat ik eindigen zal met een Christen te worden," zei Vinicius schouderophalend.

„Ik maak mij bezorgd, dat ge zelf uw leven zult bederven," antwoordde Petronius. „Kunt ge geen Griek zijn, wees dan een Romein 1 Zoek het vermaak op en geniet!"

„Ik heb genoeg van Rome, van den Keizer, van feesten, van Tigellinus en van u," klonk het wanhopig. „Ik stik. Ik kan zoo niet langer leven. Ik kan niet. Verstaat ge mij?"

„Vinicius, ge verliest uw verstand!"

,,lk bemin slechts Lygia en verlang naar geen andere liefde. Ik walg van uw leven, van uwe feesten, van uwe zonden, van uwe schaamteloosheid."

Sluiten