Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XXXIII.

Heel Rome wist, dat de Keizer op zijne reis Ostia1) wilde aandoen, om het grootste schip der wereld te zien, dat daar onlangs met een lading tarwe uit Alexandrië aangekomen was. Eenige dagen van te voren was daartoe het bevel gegeven. Daarom verzamelde zich reeds in den vroegen morgen eene menigte nieuwsgierigen, die hunne oogen wilden verlustigen aan het schouwspel, dat Nero's stoet hun bieden zou. Want de Keizer placht op zijne reis alles mee te nemen, waarin hij maar genoegen had, van zijne muziekinstrumenten en huisraad af tot zelfs standbeelden en mozaïekwerken toe. Daardoor was hij altijd van een legioen bedienden begeleid, terwijl zijne aanhangers en de afdeelingen pretorianen nog hun eigen gevolg van slaven hadden.

Op den vroegen ochtend van dezen dag kwamen herders uit de Campagna en dreven vijfhonderd ezelinnen door de poorten naar buiten, opdat Poppea bij hare aankomst te Autium in hunne melk haar bad zou kunnen nemen. Het volk keek met verrukking naar de langooren, die wolken van stof opjoegen, en hoorde met genoegen naar het zweepgeknal en het wilde geschreeuw der herders. Toen de ezelinnen voorbij waren kwamen tallooze knapen aanloopen, die de straten zorgvuldig van stof reinigden en ze met bloemen en dennennaalden bestrooiden. 'tVolk fluisterde elkaar met zekeren trots toe, dal de geheele weg, tot Autium toe, met bloemen versierd zou worden. Het gedrang nam steeds toe; velen hadden hunne geheele familie meegebracht en gebruikten de maaltijden onder den vrijen hemel. Men sprak ook over het schip, dat de Keizer ging zien, een schip, dat tarwe gebracht had, genoeg voor twee jaar en daarenboven nog eene menigte wilde dieren voor de zomerspelen. Dit alles nam het volk voor den Keizer in en daarom wachtte hem eene geestdriftige begroeting.

Intusschen kwam er eene afdeeling Numidische ruiters aan, die tot de pretorianen behoorden. Zij droegen gele uniformen, roode gordels en groote oorringen, die een gouden schijnsel op hunne zwarte gezichten wierpen. Op hen volgden wagens met purperen, roode en violette tenten, van het fijnste lijnwaad vervaardigd en geweven van sneeuwwitte draden, voorts

') Havensiad aan den mond van den Tiber.

Sluiten