Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Liefste mijner ziel! 'tZal geschieden, zooals gij zegt. Licht uw sluier op, geliefde, en laat mij vóór ik vertrek nog eens in uwe schoone oogen staren. Waarom zijt ge zoo gesluierd?"

Zij hief den sluier op, toonde hem haar vroolijk gezicht met de zoo vriendelijk stralende oogen en vroeg:

„Vindt ge den sluier dan hinderlijk?" Bij deze vraag keek zij hem glimlachend aan. Vinicius, die haar met verrukking aanschouwde, antwoordde:

„Hinderlijk voor mijne oogen, die tot den dood toe slechts u alleen willen zien." Daarop wendde hij zich tot Ursus en hernam: „Ursus, behoed haar als 't licht uwer oogen, want Lygia is ook mijne domina, evengoed als de uwe." Hij greep hare hand en drukte die aan de lippen, tot groote verbazing der menigte, die zulk een bewijs van eerbied van een schitterenden hoveling voor een meisje in eenvoudige kleeding, bijna gelijk aan die van een slavin, niet begrijpen kon. Petrus gaf hem zijn zegen en terwijl hij zich haastig verwijderde om Nero's gevolg in te halen, riep hij Lygia nog een laatst „vaarwel" toe.

De stoet was spoedig in eene wolk van stof verdwenen. Demas, de molenaar, bij wien Ursus 's nachts werkte, naderde hen. Hij kuste den apostel de hand en noodigde hem en Lygia uit in zijne woning, die dichtbij was, eene verfrissching te nemen, daar zij wel hongerig en moe zouden zijn. Zij namen dankbaar zijn gul aanbod aan en keerden eerst tegen den avond naai- hunne woning aan de overzijde van den Tiber terug.

Midden op de brug bleef de apostel staan en keek om zich heen. Was dat nu Rome? Eene reusachtige, roofzuchtige, tot in merg en bee-n verdorven stad. Was dat nu de Keizer? Een broedermoordenaar, een moedermoordenaar, een vrouwenverleider, die door een schaar van bloedige schaduwen gevolgd werd. Maar ook heer van dertig legioenen en daardoor keizer over de geheele wereld. In den eenvoud zijns harten verwonderde Petrus zich er over, dat God den satan zulk eene onbegrijpelijke macht gegeven had. Deze gedachte maakte hem angstig; hij hief het grijze hoofd ten hemel op en zijne lippen stamelden: „O, Heer, wat moet ik beginnen in deze staa, waarheen Gij mij gezonden hebt? Haar behooren zeeën en landen, de dieren des velds en alle schepselen in het water; zij bezit koninkrijken en steden en dertig legioenen, die haar bewaken; maar ik, o Heer, ben maar een eenvoudige visscher! Wat moet ik doen, waarmee zal ik hare boosheid overwinnen?"

Sluiten