Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slaven maken u morgen misschien tot een lijk. En welk een schaamtelooze handel wordt er met uwe vrouwen gedreven! Gij zelf zijt verbaasd over de vrouw, die aan één man getrouw blijft. Maar ik zeg u: vrouwen, die Christus in 't hart dragen, bedriegen hunne mannen niet, evenmin als Christelijke mannen dat hun vrouwen doen. Hoe kunt ge dan beweren, Petronius, dat dit geloof het leven afbreuk doet, terwijl de leer vaa Christus het juist beter zal maken en uw geluk duizendmaal vaster zou zijn, indien het de wereld in ^gelijke mate beheerschte als nu het Romeinsche zwaard?

„Op dit alles wist Petronius slechts te antwoorden: ,dat deugt niet voor mij.' En terwijl hij vermoeidheid voorwendde, verwijderde hij zich met de woorden:

„Ik blijf de voorkeur geven aan mijne Euniche, mismaakte Jood, maar toch zou ik op het spreekgestoelte niet met u willen redetwisten."

„Vol aandacht had ik naar Paulus geluisterd en toen hij van onze vrouwen sprak, zegende ik den godsdienst, die uit u zulk eene reine lelie maakte. Lygia zal mij niet verlaten, niet bedriegen, dacht ik en ik vroeg mijzelf af: hoe kan ik haar ooit dankbaar genoeg zijn, hoe kan ik haar ooit genoeg liefde en achting bewijzen? Weet ge wel, dat ik in Autium dag en nacht met u bezig was, als waart ge aan inijne zijde ? Ik bekommer mij niet meer om den Keizer, ik walg van zijne pracht en praal en zijne muziek, ik wensch niets anders dan bij u te zijn. Ge hebt slechts te bevelen en wij keeren Rome den rug toe en gaan elders wonen.

„Zoo zij 't, Markus," antwoordde Lygia. „In uw brief schreeft gij over Sicilië, waar Aulus den avond zijns levens wil gaan doorbrengen." ,

Vol vroolijke opgewondenheid viel Vinicius haar in de rede: „Zeker, mijne liefste. Onze goederen grenzen aan elkaar; 't klimaat is daar zachter en de nachten zijn er warmer dan in Rome. Leven en genieten zijn daar één. Daar kunnen wij ongestoord leven. Wij zullen daar wandelen door olijfbosschen en uitrusten in de schaduw der boomen. O, Lygia, welk oen leven! Elkaar liefhebben en samen leven naar de geboden van Christus."

Beiden zwegen en verdiepten zich in de toekomst.

„Zult ge mij toestaan Pomponia te bezoeken?"

„Zeker, liefste. Wij zullen hen bij ons noodigen of tot hen gaan. Als gij 't wenscht, zullen wij Petrus, den apostel, tot ons nemen. De jaren, strijd en zorgen hebben hem vermoeid

Sluiten