Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nicius verbleekte. Nero vroeg met honigzoete stem, waaruit niettemin beleedigde ijdelheid sprak: t

„Welke fouten vindt gij er dan in, Petronius?

„Geloof de anderen niet," antwoordde deze, „zij begnjpen niets. Gij hebt gevraagd welke fouten er in uwe verzen zijn ? Bemint ge de waarheid, zoo hoor haar dan! Uwe verzen zouden een Ovidius, Virgilius, zelfs een Homerus, maar niet uwer waard zijn, gij moogt niet zoo schrijven. De door u geschilderde brand is niet hel genoeg, uw vuur ontbreekt aan gloed. Luister niet naar de vleierijen van Lucianus. Was hij de maker van deze verzen, ik zou hem een genie noemen; maar met u is dat wat anders. En weet ge waarom ? Gij zijt grooter dan zij allen. Van hem, wien de goden zoo begunstigd hebben, als u, wordt meer verlangd. Maar gij zijt traag, — gij slaapt liever na het middagmaal dan uwe fouten te verbeteren. Gij kunt eon werk schrijven zooals er tot heden toe nog geen geweest is, daarom zeg ik u openlijk: schrijf bel.er!" Hij sprak zorgeloos, schertsend en berispend te gelijk Nero's oogen waren vochtig geworden van verrukking.

„De goden hebben mij eenig talent verleend," zei hij, „en nog iets hebben zij mij gegeven, wat meer waard is: een waren kunstkenner, een vriend, die mij openlijk de waarheid durft zeggen." Daarna strekte hij zijne dikke, met roode haren begroeide hand naar een gouden kandelaar uit om de verzen te verbranden. Maar Petronius was hem te vlug af, ontrukte hem het papier voordat de vlam het aanraakte, en nep: „Neen, neen! Zelfs deze verzen behooren der menschheid.

Schenk ze mij!"'

„Sta mij dan ten minste toe, ze u te overhandigen in een foudraal van eigen maaksel," antwoordde ^ero, terwijl hij

Petronius omarmde.

„Gij hebt gelijk," sprak de Keizer eenige oogenblikken later, „mijn Troiaansche brand is niet fel genoeg, 't ontbreekt mijn vuur aan gloed; maar 't was mij voldoende, Homenis te evenaren. Gij echter hebt mij de oogen geopend. Maar weet ge hoe het komt, dat mijne verzen zoo gebrekkig zijn . Omdat ik bij het schrijven er van een goed voorbeeld miste; nooit zag ik eene brandende stad, daarom is er geen leven in mijne voordracht." Een oogenblik stilte volgde, waarna

hij hernam: . , ,

„Beantwoord mij ééne vraag, Petronius: Betreurt gij den

brand van Troje?" . _

„Of ik dien betreur? Niet in 't mmst, zei Petronius. „Zon-

Sluiten