Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gij hebt mijne eigene gedachten uitgesproken," begon Nero eindelijk; „daarom herhaal ik: gij zijt de eenige in geheel Rome, die mij begrijpt. Als ik speel en zing, dan voel ik ook een onbestemd verlangen, dat mij vroeger vreemd was. Ik ben de Keizer, de wereld is mijn. Ik bezit alle macht. Maar muziek opent voor mij nieuwe koninkrijken, nieuwe gebergten, nieuwe zeeën, een nieuw ongekend geluk. Ik voel mij dan tot de goden opstijgen; ik zie den Olympus,*) en beken u openhartig —" hier trilde zijn stem van waarachtige ontroering — „dat ik, Keizer en god, mijzelf in die oogenblikken niet grooter dan een stofje voorkom. Kunt gij mij gelooven V"

„Volkomen. Slechts groote kunstenaars gevoelen zich op zulke oogenblikken als gij, o Keizer."

„De menschen noemen mij wreed," ging Nero voort, „maar zij zien niet in, dat een mensch soms streng moet optreden, ook al heeft hij zelf een afschuw van alle wreedheid. O, niemand zal gelooven, misschien zelfs gij niet, dat, als de muziek mijne ziel beroert, ik mij dan even onschuldig gevoel als een pasgeboren kind. Men weet niet hoeveel goeds er in mij woont."

Petronius twijfelde in 't geheel niet aan de oprechtheid van Nero in dit oogenblik; hij wist, dat muziek edele gevoelens in den Keizer wakker riep, die echter onderdrukt werden door zijne groote zelfzucht, zijne zinnelijke lusten en zijn wreedheid.

„Men moest u kennen, zooals ik," hernam Petronius. „Rome zou dan nooit in staat zijn u te waardeeren."

„Hoe geheel anders zijt ge toch dan Tigellinus!" was Nero's antwoord. „Ziet ge, vóór alles gevoel ik mij kunstenaar, 'tls mij niet mogelijk te leven als andere stervelingen; ik moet iets doen, 't zij goed of kwaad, waarover de heele wereld in bewondering raakt of van afschuw rilt. Men noudt mij voor krankzinnig, maar dat ben ik gelukkig nog niet; word ik 't, dan is het gevoel van onmacht om iets buitengewoons te kunnen verrichten daarvan de oorzaak." En terwijl hij zijn mond aau Petronius' oor bracht, opdat Vinicius hem niet zou hooren, vervolgde hij op gedempten toon:

„Weet ge. dat ik moeder en vrouw slechts daarom veroordeelde om voor de poort eener onbekende wereld het grootste offer neer te leggen? Ik hoopte, dat die poort zich zou openen en mijne oogen iets wonderbaars zouden aanschouwen.

*) Berg in Griekenland, verblijfplaats der goden.

Sluiten