Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nero had de luit genomen en de oogen opgeslagen. De gesprekken verstomden dadelijk; Terpnos en Diodorus, die hem moesten begeleiden, hingen aan zijne lippen om geen syllabe van het gezang te missen.

Op dit oogenblik drong er rumoer van buiten tot hen door en dadelijk daarna traden Phaon, Nero's vrijgelatene, en de consul Lucianus binnen.

„Vergeving, goddelijke gebieder," riep Phaon opgewonden uit, „Rome staat in hrand. 't Grootste gedeelte der stad is één vlammenzee."

Bij dit bericht sprongen allen van hunne zetels op.

„O, goden! Dank zij u zal ik dan eene brandende stad zien en de Trojade kunnen voltooien," riep Nero uit, de luit wegleggend ; en zich tot Lucianus keerende, vroeg hij: „Zou ik den brand nog kunnen zien, als ik er dadelijk heen ijl?"

„Gebieder," antwoordde de consul, bleek van schrik, „de stad is één vuur; de rook verstikt de inwoners; de menschen vallen in onmacht of storten zich uit waanzin in den vuur poel. Rome's ondergang is nabij."

Een oogenblik vol bang zwijgen volgde; toen riep Vinicius vol ontzetting uit: „Vea mesero mihi!"1) Hij wierp zijne toga uit en slechts in zijne tunika gekleed rende hij weg.

Nero hief de hand op en sprak: „Wee u, Priamus'2) heilige stadl"

HOOFDSTUK XXXVIII.

Vinicius gunde zich nauwelijks den tijd eenige slaven het bevel te geven hem te volgen; hij sprong te paard en galoppeerde in den donkeren nacht langs de eenzame en verlaten wegen naar Laurentum. De schrik had hem bijna waanzinnig gemaakt, hij meende door het noodlot vervolgd te worden, dat hem steeds toeriep: „Piorne brandt!" Over den hals van zijn paard gebogen en slechts in eene tunika gekleed, ging het in razende vaart voorwaarts. De slaven, die minder

>) Wee mijner. l) Koning van Troje.

Sluiten