Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dene plaatsen, sloeg men tenten op, die geheele familiën een onderkomen bezorgden. Anderen lieten zich onder den vrijen hemel neer, schreiend de goden aanroepend of hun noodlot vervloekend. Niemand wilde Vinicius te woord staan, behalve enkelen, die met wezenlooze blikken antwoordden, dat Rome en de geheele wereld verging.

De wanorde werd met elke minuut grooter. Sommigen, die onder de menigte verdwaald waren geraakt, zochten vertwij feld naar degenen, waarbij zij behoorden. Half wilde herders uit de Campania drongen de stad binnen om te plunderen. Slaven en gladiators vulden villa's en paleizen om er te rooven en vochten met de soldaten, die ter bescherming van de burgers gezonden waren.

De senator Junius was de eerste, dien Vinicius ontmoette en die op al zijne vragen kon antwoorden.

„Het circus is geheel uitgebrand, evenals de naburige kra men en huizen," zei Junius, „en nu hebben de vlammen reeds de Carina bereikt."

Junins bezat daar een prachtige woning, die eene verzameling van ware kunstwerken bevatte, waaraan hij zeer gehecht was; daarom nam hij een handvol zand, bestrooide daarmee zijn hoofd en zuchtte vol vertwijfeling.

„Mijn huis ligt ook aan de Carina," zei Vinicius, „maar als alles verbrandt, zal daar ook niet veel van overblijven."

'tWas niet onmogelijk, dat Lygia getracht had een schuilplaats bij Aulus te vinden en daarom vroeg hij schielijk, of de brand misschien ook den Vicus Patricius bereikt had.

Junius antwoordde toestemmend.

„En de overzijde van de rivier?"

Junius keek hem verbaasd aan.

„Wat kan ons deze wijk schelen?"

„IJ misschien niet. maar mij zooveel te meer," riep Vinicius heftig uit.

„Gij zult er niet kunnen komen, de hitte en rook zullen u doen stikken. 'tVuur had den overkant straks nog niet bereikt, maar of 't nu daar ook brandt weten de goden alleen." Daarop fluisterde hij Vinicius toe:

„Gij zult me niet verraden; daarom zeg ik u, 't is geen gewone brand, want 't werd net volk verboden het circus te redden. Toen de huizen in alle richtingen begonnen te branden, hoorde ik duizenden stemmen uitroepen: ,Dood aan hen die het vuur trachten te blusschen!' Men zag menschen dooi de straten rennen, die brandende fakkels tegen de huizen

L

Sluiten