Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welbekende stem: „Hij vertrok twee dag^n geleden naar het Ostrianum. Vrede zij met u, o, Perzenkoning."

Vinicius ging half overeind zitten en herkende Chilon.

„Uw huis is ook verbrand, heer," ging de Griek voort, „want de geheele Carina staat in vlammen. 0, welk een ongeluk ! De Christenen hebben reeds lang te voren verkondigd, dat Rome door een brand verwoest zou worden. Linus is met Jupiters' dochter in het Ostrianum. O, welk een ongeluk voor de stad!"

„Hebt ge Lygia gezien?" vroeg Vinicius.

„Ik zag haar, heer. Christus en alle goden zijn geprezen, dat ik uwe weldaden met goed nieuws kan vergelden. Maar ik zal nog meer voor u doen, dat zweer ik u bij het brandende Rome!"

'tWas avond geworden, maar de tuin werd door den toenemend en brand hel verlicht. De geheele stad scheen nu in vlammen op te gaan. Zoover het oog reikte was de hemel vuurrood. Deze brand zou in de wereldgeschiedenis berucht blijven.

HOOFDSTUK XL.

Macrinus, een wever, in wiens huis men Vinicius had binnengedragen, Avaschte hem en gaf hem kleederen en voedsel. Zoodru de jonge krijgsman zich eenigszins hersteld had, verklaarde hij nog denzelfden nacht zijn onderzoek te willen voortzetten.

Macrinus, een Christen, bevestigde Chilons' bericht, dat Linus naar het Ostrianum gegaan was, waar Petrus vele nieuwe aanhangers zou doopen. Hij wist ook, dat Linus de zorg over zijn huis aan een zekeren Cajus had opgedragen, wat voor Vinicius een bewijs was, dat IJrsus en Lygia hem naar het Ostrianum vergezeld hadden.

Zoo waren zij dan den brand ontkomen; Vinicius zag hierin eene beschikking Gods en dankbaar zwoer hij in zijn hart, geheel zijn verder leven aan Christus te zullen wijden. Zijn verlangen om het Ostrianum te bezoeken werd steeds grooter; hij zou daai immers Lygia en Petrus vinden en beiden daarna op oen zijner landgoederen in veiligheid kunnen brengen. Waar-

Sluiten