Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik ween over Rome, gebieder, over Jupiter's stad."

Zwijgend reden zij een tijdlang naast elkaar voort. Vinicius verbrak het eerst de stilte.

„Waar waart ge bij het uitbreken van den brand?"

„Ik was van plan, o, gebieder, naar mijn vriend Euricius te gaan, die een winkeltje in de buurt van het circus Maximus heef', waar de brand 't eerst uitbrak. Ik dacht juist over Christus' leer na, toen het geroep van brand weerklonk. De menschen verdrongen zich in angst en nieuwsgierigheid om het circus, maar toen de vlammen ook de andere huizen aangrepen, dacht ieder nog slechts aan zijne eigen redding."

„Hebt ge iemand brandende fakkels in de huizen zien slingeren ?"

„Wat heb ik niet moeten zien, o, heer! Ik zag lieden zich met het zwaard een weg banen, ik zag groote slachtingen, de menschelijke ingewanden werden op de straten vertreden. Als ge er getuige van waart geweest, zoudt ge gemeend hebben, dat de barbaren de stad hadden ingenomen en de geheele bevolking over de kling joegen. Overal hoorde men roepen, dat hel einde der wereld gekomen was. Verscheidens menschen werden krankzinnig, anderen gilden van wanhoop. Ik zag ook lieden, die brulden van vreugde. 0, gebieder, er zijn zooveel slechte menschen op aarde, die de weldadigheid uwer zachte heerschappij niet waardeeren en de rechtvaardige wetter haten, onder welker bescherming gij hun alles ontneemt en 't voor uzelf behoudt. De lieden kunnen zich niet verzoenen met den wil Gods."

Vinicius was te veel in gedachten verdiept om den smaad in Chilon's woorden te voelen. O, als Lygia in dezen vreeselijkon chaos geweest was, waarin menschelijke ingewanden vertrapt werden! Eene rilling doorliep hem. Wel voor den tienden keer herhaalde hij de vraag:

„Hebt ge Lygia werkelijk met eigen oogen in het Ostrianum gezien ?"

„Ik zag haar, o, zoon van Venus. Ik zag het meisje, den goedigen Lygiër, den heiligen Linus en Petrus den apostel."

„Vóór den brand?"

„Vóór den brand, heer."

Twijfel aan Chilon's waarheidsliefde steeg in hem op; hij hield de teugels in, keek den Griek dreigend aan en vroeg:

„Wat hadt ge daar te doen?"

Chilon raakte in verwarring. Hij had wel is waar evenals

Sluiten