Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Linus hief zijn vermagerd gelaat op.

„O, stedehouder des Heeren, waarom zou ik uw voorbeeld niet volgen?" stamelde hij.

Vinicius streek met zijne hand over het hoofd, als in twee strijd mei zichzelven. Eindelijk, Lygia bij de hand nemend, sprak hij op een toon, die de beslistheid van een Romeinsch krijgsman verried:

„Hoort mij aan, Petrus, Linus en gij, Lygia! Ik sprak zooals het menschelijk verstand mij ingaf, maar gij allen zijt van eene andere meening en let niet op het gevaar, maar alleen op de geboden van onzen Verlosser. Ik was op een dwaalweg, mijne vroegere natuur kwam weer boven. M;iar ik heb Christus lief, ik wil Zijn dienaar zijn, en ofschoon zij, die mij dierbaarder is dan mijn leven, in voortdurend gevaar zal zijn, kniel ik toch neder en zweer ik het gebod der liefde te willen vervullen en mijne broeders in de ure der bezoeking niet te zullen verlaten." Hij wierp zich vol geestdrift op de knieën. Handen en oogen opheffend riep hij uit:

„Versta ik U, o, Christus? Ben ik Uwer waardig?" Zijne handen beefden, tranen schitterden in zijne oogen.

Toen nam Petrus een aarden bakje met water, trad op Vinicius toe en plechtig klonk het van zijne lippen:

„Ik doop u in den Naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen."

Allen waren in godsdienstige verrukking. 'tWas alsof een bovenaardsch licht de hut verhelderde, alsof er hemelsche muziek weerklonk, engelen uit den hemel neerdaalden, alsof zij een kruis zagen boven hunne hoofden en doorboorde handen zich zegenend over hen uitbreidden.

En daarbuiten weergalmde de lucht van het gehuil en gejoel van vechtende menschen en van het geloei der vlammen in de brandende stad.

HOOFDSTUK XLIII.

Eerst na den zesden dag, toen het vuur de plaats bereikt had waar een aantal huizen waren omvergehaald, begon de brand te verminderen. Van de veertien wijken, waarin Home verdeeld was, bestonden er nu nog slechts <ner: al de andere

Sluiten