Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

richt eens verspreidden, dat Vatinius bevel gegeven heeft de stad te verbranden, en hem aan den toorn van het volk overleverden ?" .....

„O, godheid! wie ben ik ?" riep \ atinius uit.

„Juist! Een gewichtiger persoon dan gij zal er geëischt worden. Zal het Vitellius zijn?"

Deze verbleekte en begon te lachen.

„Mijn vet," zeide hij, „mocht het vuur eens opnieuw doen ontvlammen."

Ook Nero dacht er anders over; hij zocht naar een offer, dat rlo volkswoede in allen deele zou kunnen bevredigen, en vond hel. „Tigellinus," zei hij na een poosje, ..gij waart 't, die Rome in vlammen deed opgaan."

Een rilling doorliep de menigte. Zij begrepen maar al te duidelijk, dat Nero niet meer schertste en er een beslissend oogen-

blik gekomen was. .

„Ik deed het op uw bevel!" antwoordde Tigellinus; daarbij keken beiden elkaar vernietigend aan.

Er heerschte zulk een diepe stilte, dat men het gonzen van de vliegen kon hooren.

„Tigellinus," vroeg Nero, „hebt ge mij lief?"

„Dat weet gij, heer!"

„Offer u dan voor mij op."

„O, goddelijke Cesar," wierp Tigellinus hem tegen, „waarom reikt gij mij den zoeten beker, terwijl ik dien toch niet naar mijn inond kan brengen? Het volk mort en staat ^ op. Wilt gij dat de pretorianen dat voorbeeld zullen volgen?"

Een gevoel van schrik beving de aanwezigen. Tigellinus was de prefect der pretorianen en zijne woorden waren eene iirecte bedreiging. Nero voelde dat en verbleekte.

Epaphroditus, een van Nero's vrijgelatenen, trad binnen en meldde, dat de goddelijke Augusta den prefect Tigellinus wenschte te zien; er waren lieden in hare vertrekken, die hem verlangden te spreken. Tigellinus boog voor den Keizer en ging kalm en met een minachtenden trek op 't gelaat heen. Hij had zijne tanden eens laten zien en bij de hem tekende lafheid van Nero was hij overtuigd, dat de beheerscher der wereld 't niet meer wagen zou, zijne hand tegen hem op le heffen. Nero bleef zwijgend zitten, maar toen hij niets dan vragende blikken om zich zag, sprak hij: „Ik heb een slang aan mijn boezem gekoesterd."

Daar verscheen Pot>pea en met haar Tigellinus. Aller ougen richtten zich onwillekeurig op den laatste, want nooit ho<l

Sluiten