Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een overwinnaar met grooter trots de treden van het Kapitool bestegen, dan Tigellinus, nu hij op den Keizer toetrad. Hij begon te spreken, langzaam en met nadruk, op een toon, die zijn diepen haat verried.

,,Hoor mij aan, o, Keizer. Het volk eischt niet één offer, het verlangt er duizenden. Hebt gij gehoord, heer, wie Christus was? — hij, die onder Pontius Pilatus gekruisigd werd — en weet gij wie de Christenen zijn? Heb ik u vroeger ai niet verteld van de misdaden, die zij begingen, en van hunne voorspellingen, dat Rome door een brand ten onder zou gaan? Het volk haat en wantrouwt hen. Niemand heeft hen ooit in een tempel gezien; zij noemen onze goden booze geesten. Nooit hebben christenhanden geklapt om u hun bijval te toonen, nooit heeft een Christen u als een god erkend. Het volk mort tegen u; maar gij hebt mij geen bevel gegeven Rome in brand te steken en ik heb 't ook niet gedaan. Het volk verlangt naar bloed en spelen, geef het die. Het volk wantrouwt u, breng dien argwaan op anderen over."

„De Christenen zijn de vijanden der menschheid en van u," zeide Poppea."

„Straf de brandstichters!" riepen de anderen. „De goden zelf roepen om wraak!"

Nero liet het hoofd op de borst zinken en zweeg als getroffen door de slechtheid der christenen. Eindelijk sprak hij: „Welke straffen, welke martelingen zouden voldoende zijn voor zulke misdaden ? Maar de goden zullen mij voorlichten en ik zal mijn arm volk een schouwspel bieden, waarvoor het mij nog na eeuwen dankbaar gedenken zal."

Petronius echter werd bezorgd. Hij dacht aan het gevaar, dat Vinicius bedreigde, dien hij liefhad; hij gevoelde zich beangst bij de gedachte aan Lygia en haar geloofsgenoolen, wier godsdienst hij wel geringschatte, maar van wier onschuld hij toch overtuigd was. Verder stelde hij zich voor, hoe er een bloedige slachting zou plaats hebben, die zijne oogen niet zouden kunnen aanzien en zijn smaak zouden beleedigen. Maar al deze gedachten weken terug voor deze ééne: „Ik moet Viniciur redden, die krankzinnig wordt als hij Lygia verliest." En ofschoon hij wist, dat hij een gevaarlijker spel ging spelen dan hij ooit gedaan had, begon hij toch vrijmoedig en zorgeloos te spreken, geheel, zooals hij placht te doen, wanneer hij de plannen van den Keizer en zijne omgeving als te onaesthetisch ging critiseeren:

„Gij hebt offers gevonden, zeker, gij kunt. ze in de arena

Sluiten