Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Waren twee rabbijnen, een jonge schrijver en Chilon. De rabbijnen in lange witte gewaden gehuld en met een mijter op 't hoofd, hieven bij Nero's verschijning de handen hoog op en bogen zich daarna eerbiedig over de hand van den Keizer.

„Wees gegroet, beheerst-her der wereld, beschermer van het uitverkoren volk, Caesar, leeuw onder de menschen, wiens heerschappij is als de zon, als de palmen en de balsem van Jericho!"

,,Erkent gij mij niet als een godheid?" klonk het hun toe.

De rabbijnen verbleekten.'

De opperpriester antwoordde:

„Uwe woorden, o, gebieder, zijn zoet als de wijndruif, als de rijpe vijg. Jehovah vervulde uw hart met goedheid! Uw voorganger, keizer Cajus, was gestreng, maar toch noemden onze gezanten hem geen god en zij wilden liever sterven, dan de wet overtreden."

„En liet Caligula hen niet voor de leeuwen werpen ?"

„Neen, heerscher, want de Keizer vreesde den toorn van Jehovah."

De naam van den machtigen Jehovah gaf hun blijkbaar, moed; onverschrokken keken zij Nero aan.

„Beschuldig! gij de Christenen van brandstichting?" vroeg de Keizer verder.

„Ja, heer. Reeds sedert langen tijd bedreigden zij Rome en de wereld met vuur! 't Overige zal u deze man berichten, wiens lippen geen leugens kennen, want in de aderen zijner moeder stroomde het bloed van het uitverkoren volk."

Nero wendde zich tot Chilon.

„Wie zijt gij?"

„Een, die u aanbidt, o, Osiris, x) daarbij een arm stoïcijn ...

„Ik haat de stoïcijnen," viel Nero hem in de rede, „ik haat hunne manier van spreken, hunnne verachting voor de kunst."

„Ik ben slechts stoïcijn door nood gedwongen, o, heer. Schenk mij kleeding en spijs, o Stralende, en ik zal Anakreon zoo luid zingen, dat iedereen daarbij 't gehoor verliest."

Nero, gevleid door den titel „Stralende", lachte en sprak:

„Gij bevalt mij 1"

„lk dank u, o, god!"

„Ik zie, dat uw geloof u niet verhindert mij god te noemen."

') Beschermgod van Egypte.

Sluiten