Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Onsterfelijke, mijn geloof zijt gij; dit geloof beschimper de Christenen, daarom haat ik hen."

„Wat weet gij van hen?"

„Staat gij mij toe te schreien, godheid?"

„Neen, daar heb ik een afkeer van."

„Gij hebt driewerf gelijk; want oogen, die u gezien heb ben, moeten voor altijd ophouden te weenen. Heer, bescherm mij tegen mijne vijanden!"

„Spreek toch over de Christenen," beval Poppea ongeduldig.

„Ik gehoorzaam u, o, Isis," antwoordde Chilon. „Sedert mijne jeugd wijd ik mij aan de philosophie en toen ik van de Christenen hoorde, dacht ik, dat zij eene nieuwe school vormden, waarin ik eenige kruimpjes der waarheid zou kunnen vinden. Tot mijn ongeluk leerde ik hen kennen. De eerste Christen, waarmee mijn kwaad gesternte mij in aanraking bracht, was een zekere Glaucus, een arts uit Napels. Hij bekende mij al spoedig, dat zij zekeren Chrestos vereeren, die gezworen had alle menschen te zullen uitroeien en alle steden op aarde in puinhoopen te veranderen; alleen hen, die hem volgden en hem daarbij hielpen, zou hij verschoonen. En daarom, o, Augusta, haten zij de menschen en vergiftigen de bronnen; daarom overladen zij in hunne bijeenkomsten Rome met vervloekingen en verwenschen de tempels onzer goden. Chrestos werd gekruisigd, maar hij beloofde te zullen wederkeeren als Rome in brand stond om daarna zijn volgelingen de heerschappij over de wereld te geven."

„Nu zal het volk weten waarom Rome verwoest werd,' viel Tigellinus hem in de rede.

„Velen weten 't reeds, want overal houd ik redevoeringen. Maar verneem nu waarom ik naar wraak dorst. Glaucus zeide mij niet dadelijk, dat haat hun gebod was, maar verzekerde mij, dat Chrestos een goede god en dat de grondslag van hun godsdienst liefde is. Mijn gevoelig hart kon zulk eene leer niet weerstaan; daarom vatte ik genegenheid voor Glaucus op en vertrouwde hem. En weet ge, o, gebiedster, hoe hij dat op prijs stelde? Op weg van Napels naar Rome stak hij mij een mes in de borst en verkocht hij mijne vrouw, mijne jonge, schoone Rerenice, aan een slavenhandelaar. Als Sophoclesx) mijne geschiedenis eens kende! — Maar wat zeg ik urooter genie dan Sophocles hoort haar nu."

') Grieksch treurspeldichter.

Sluiten