Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nu begrijp ik, waarom hij de Christenen zoo in bescherming neemt," riep Poppea uit.

Nero lachte ongeloovig.

„Petronius een Christen! Petronius een vijand van hot leven? Daar geloof ik niets van, evenmin als van al het andere.

„De edele Vinicius werd ee*ï Christen, heer. Bij den glans, die van u uitstraalt, zweer ik, dat 't waar is en dat niets mij meer tegenstaat dan de leugen. Pomponia Grcecma is eene Christin, de kleine Aulus een Christen, Lygia en \ inicius zijn het ook. Trouw diende ik den laatste, maar hij liet mij, op Glaucus' verzoek, geeselen, ofschoon ik oud bon en ziek was van honger. Ik zwoer hem dat betaald te zullen zetten. O, heer, wreek mij en ik lever u Petrus den apostel, Linus, Glaucus en Crispus, de voornaamste onder hen, in handen, evenals Lygia en Ursus. Honderden, duizenden, geef ik u over en hunne vergaderplaatsen en kerkhoven zal ik u aanwijzen. — Al uwe kerkers zullen hen niet kunnen bevatten. Zonder mij zult gij hen echter niet vinden. Vroeger zocht in mijn troost in de philosophie, nu wil ik dien zoeken in uwe gunstbewijzen, die mij ten deel zullen vallen. Ik ben oud en heb tot na toe het leven nog niet gekend. Mocht ik het genot daarvan door u, o heer, leeren smaken!"

„Gij wilt dus voor volle schotels een stoïcyn zijn," sprak Nero.

„Wie u diensten bewijst, zal ze vol krijgen," antwoordde Chilon gevat.

„Gij vergist u niet, mijn philosoof!"

Poppea evenwel vergat hare vijanden niet. Zij gevoelde zien beleed igd door de koelheid van Vinicius. Alleen reeds, dat hij eene andere boven haar verkoos, scheen haar eene misdaad toe, die om wraak riep. Zij had Lygia van het eerste oogenblik af gehaat, omdat de bekoorlijkheid van die Noordedelijke bloem haar gevaarlijk leek. Zij had dadelijk gezien, dat Lygia de eenige was, die haar in schoonheid evenaarde, zoo niet overtrof. Lygia's ondergang stond van dat oogen blik af bij haar vast.

„Heer," sprak zij, „wreek ons kind."

„Haast u," riep Chilon, „haast u. Vinicius brengt zijn geliefde anders in veiligheid. Ik zal u hare woning wijzen.

„Tien man zullen u vergezellen. Vertrek onmiddellijk," be

val Tigellinus. .

„0, heer, gij hetft Croton niet in Ursus' armen gezien. Als ge mij vijftig man meegeoft, wil ik 't huis uit de verte aanwijzen. Maai- indien ge Vinicius niet gevangen neemt, ben ik verloren.'

Sluiten