Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Eenige afdeelingen werden nog vóór den middag over den Tiber gezonden," sprak de centurio. Deze ledigde nu

den beker en zei: >t

„Mogen de goden u alles verleenen, wat gij wenscht, heer. Daarop gaf Petronius last de hymne op Apollo voort te zetten.

„Roodbaard begint met mij en Vinicius te spelen," dacht hij, terwijl de harpen opnieuw weerklonken. „Ik doorzie zijn plan. ilij wilde mij doen schrikken en stuurde daartoe den centurio op mij af; hij zal nieuwsgierig zijn te weten, hoe ik hem ontving. Neen, neen! daarover zult ge niet verheugd zijn, wreede en slimme profeet! Ik weet, dat gij de beleediging niet kunt vergeten, dat mijn ondergang onvermijdelijk is, maar als gij denkt, dat ik u smeekend zal aanzien, of dat gij vrees en zelfvernedering in mijn gelaat zult kunnen ontdekken, vergist gij u."

Na afloop van den maaltijd maakte Petronius zijne gewone wandeling, liet zich daarna kappen en kleeden en, schoon als een godheid, gaf hij een uur later den stoeldrager bevel hem naar het Palatium te brengen.

Onderweg dacht hij aan Vinicius en het verbaasde hem, nog geen " bericht van hem te hebben ontvangen. Hij bleef echter de hoop koesteren, dat Vinicius den pretorianen te vlug was geweest en met Lygia gevlucht zou zijn. In t vooruitzicht, dat hem verscheidene vragen gedaan zouden worden, had hij lievei daaromtrent zekerheid gehad.

Toen Petronius het Atrium binnentrad scheen de Keizer, die zich met een ander bezighield, hem niet te zien, evenmin als de buiging die hij maakle. Tigellinus trad intusschen op

hem toe met de woorden:

Goeden avond, arbiter elegantiarum'• Blijft gij nu nog dij uwe bewering, dat de Christenen onschuldig zijn aan den

brand van Rome?" ..

Petronius haalde de schouders op en terwijl hij Tigellinus op den rug klopte, zooals hij 't een vrijgelatene zou hebben

gedaan, antwoordde hij:

„Gij weet evengoed als ik, wat we daarvan moeten^denken. "ik waag 't niet, mij in wijsheid met u te meten."

Daarin hebt ge gelijk; want als de Keizer een nieuw boek over de Trojade voorleest, moet ge trachten ook eens verstandig daarover mee te praten."

Tigellinus beet zich op de lippen. 'tWas voor hem hoogst onaangenaam, dat de Keizer besloten had een nieuw boek Ie lezen, want op dit gebied vond hij in Petronius zijn meester.

Sluiten