Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waan, moest te niet gaan. Volgens de grondbeginselen der Christelijke leer zou 't mogelijk zijn een nieuwe, gezonde maatschappij op te bouwen,maar wanneer de Christenen werden uitgeroeid, wat dan?

Toen Petronius zijn woning betrad was zijn eerste vraag

naar Vinicius.

„Die is thuis," antwoordde de slaaf.

„Hij heeft Lygia niet kunnen bevrijden," dacht Petronius terwijl hij zijne toga afwierp snelde hij het Atrium binnen Daar zag hij Vinicius zitten, het hoofd in zijne handen verborgen. Bij het geluid van voetstappen richtte hij het hoofd op en keek den binnenkomende met koortsachtig gloeiende oogen aan.

„Zijt ge te laat gekomen?" vroeg Petronius.

„Ja, nog voor het middaguur namen zij haar gevangen.

,,Hebt ge haar gezien?"

„Ja!"

„Waar is zij?"

„In de Mamertijnsche gevangenis."

Petronius sidderde. . ,. ,

„Ik kocht de bewakers om," vervolgde Vinicius, „die haar een eigen cel gaven. Ursus houdt voor haar deur de wacht.

„Waarom verdedigde hij haar niet?"

„Vijftig pretorianen te weerstaan gaat zelfs de kracht van Ursus te boven; bovendien, Linus verbood 't hem."

„Maar wal deden zij met Linus?"

„Die ligt op sterven, daarom namen zij hem niet mee.

",Wat denkt ge nu te doen ?"

„Haar te redden of met haar te sterven."

Vinicius leek uiterlijk kalm, maar in zijne stem klonk zooveel smartelijke wanhoop, dat Petronius er van ontroerde.

„Ik begrijp u," zei hij. „Maar hoe zult ge Lygia redden?"

„Ik gaf veel geld aan de bewakers en zij beloofden mij haai voor de woede van het gepeupel te beveiligen en hare vlucht niet te verhinderen."

„En wanneer kan die plaats vinden?

„De bewakers verzekerden mij, dat zij mij Lygia niet dadelijk konder overgeven wegens hunne verantwoordelijkheid, maar als de gevangenis eenmaal vol was en de controle minder scherp zou zijn, zouden zij Lygia bevrijden. Doch eene wan hopige zaak blijft hetl Daarom, edele Petronius, doe ik een beroep op uwe vriendschap; tracht ons beiden te redden. Als vriend van den Keizer zal u dat niet moeielijk vallen.

Zonder hierop te antwoorden riep Petronius een slaaf, be-

Sluiten