Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der soldaten, welken hij bij naam kende. „Hebt ge in last de gevangenis te bewaken ?"

„Ja, edele heer, de prefect vreest, dat men anders zou kunnen beproeven de brandstichters te bevrijden."

„Moogt ge niemand binnen laten?" vroeg Vinicius vol ongeduld.

„De gevangenen mogen bezoek ontvangen; op deze wijze hopen we nog meer Christenen in handen te krijgen."

„Laat mij dan binnengaan," hernam Vinicius, en zich tot Petronius keerende, smeekte hij: „Tracht Actea te vinden, spoedig hoop ik haar antwoord te vernemen."

Op 't zelfde oogenblik weerklonk er een gezang uit de onderaardsche verblijven en buiten de muren der gevangenis; eerst zacht en onverstaanbaar, maar allengs in kracht toenemend. Mannen-, vrouwen- en kinderstemmen vormden een schoon koor en de toon van het lied klonk niet bezorgd of bedroefd, maar veeleer verblijd en vol triomf.

Vol verbazing luisterden de soldaten toe.

De eerste sporen van het morgenrood vertoonden zich juist aan den horizon.

HOOFDSTUK XLVI.

De kreet: „de Christenen voor de leeuwen!" werd nu spoedig in elk deel der stad vernomen. Niemand wilde er meer aan twijfelen, dat zij niet de brandstichters waren, want de martelingen, die zij zouden ondergaan, beloofden een prachtig schouwspel voor het volk te zijn. Met ongekende haast werd er een reusachtig houten amphitheater gebouwd, waarin de Christenen moesten sterven. De stadhouders van alle provinciën hadden bevel ontvangen wilde dieren te leveren. Tigellinus bad last gegeven de vivariën van alle steden te ledigen. Uit alle landen werden tijgers, olifanten, leeuwen, krokodillen, nijlpaarden, beren, wolven en buffels aangevoerd. Het aantal gevangenen be loofde een schouwspel, als Rome nooit gezien had.

Het volk ondersteunde de pretorianen gewillig in de jacht op de Christenen. Dat viel hun gemakkelijk, want gansche scharen van Christenen bevonden zich te midden van de overige bevolking en trachtten volstrekt niet hun geloof ge-

Sluiten