Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met een diamanten keten om den hals en een gouden kroon op het hoofd. Naast hem had de schoone, sombere Keizerin plaats genomen en beiden waren omgeven van Vestaalsche maagden, hooge ambtenaren, senatoren en legeraanvoerders. Verderop zaten de ridders en boven hen had het volk een plaats gevonden. Guirlandes van rozen, leliën, klimop en wijngaardranken verbonden den eenen pilaar met den andere.

Eindelijk gaf de stadsprefect met den zakdoek het teeken om te beginnen, dat met een luid a—a—a begroet werd. Voordat de Christenen binnengevoerd zouden worden hadden er nog andere spelen plaats, 't Begon met mannen, die met helmen, zonder eene opening voor de oogen er in, met elkaar vechten moesten. De meer voornamen onder de toeschouwers keken daar niet eens naar, maar 't volk had veel genoegen in de onbeholpen bewegingen dezer lieden. Toen dit lang genoeg geduurd had traden de gladiatoren op. Bij dezen worstelstrijd keken allen zonde? onderscheid vol spanning toe en men verwedde groote sommen onder elkaar, wie der gladiatoren overwinnaar zou zijn. Zij kwamen in afdeelingen, elk van vijf en twintig man, binnen en waren allen zwaar gewapend. Voor de loge van den Keizer bleven zij staan, trotsch, kalm, bewust van de overwinning. Zij hieven de rechterhand omhoog, keken den Keizer daarbij aan en riepen met luider stem:

Ave C'esar imperator!1)

Morituri te salutant!"

Daarna gingen zij vlug uit elkander om hunne plaatsen in te nemen, de worstelingen begonnen en tevens ook de weddenschappen.

Een verwoed gevecht volgde; men hoorde de beenderen kraken, zwaarden reten de lichamen open, zoodat de ingewan den te voorschijn kwamen; het bloed vormde donkere plekken in het zand en het eene naakte lichaam na het andere viel rochelend neer. Door de geheele arena lagen de dooden over den grond verspreid; de nog levenden zetten het gevecht over de lijker. hunner makkers voort, verwondden zich daarbij de voeten aan de gebroken wapens, om eindelijk ook den laatsten adem uit te blazen.

De verrukking der toeschouwers kende geen grenzen; de over-

') „Heil u, o Keizer!

De ten doodr gewijd en groeten u!"

Sluiten