Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in korten lijd de knielende, weerlooze slachtoffers afmaakten. Toen hunne lijken verwijderd waren volgde er eene reeks van voorstellingen uit de mythologie en de geschiedenis van Rome, waarin een aantal Christenen den marteldood stierven, even onvervaard als hun voorgangers, die jaren en eeuwen geleden gestorven waren.

Tegen den middag verliet Nero met zijn gevolg het amphitheater en begaf zich naar eene voor hem gebouwde en met scharlaken fluweel bekleede tent, waar een schitterend maal hem en zijn gasten wachtte. Het grootste deel der toeschouwers volgde dit voorbeeld, stroomde naar buiten en legerde zich in schilderachtige groepen om de tent heen, om zich te goed te doen aan de spijzen, die Nero onder hen liet uildeelen. Slechts enkelen bleven, vol medelijden met de arme slachtoffers, in het amphitheater achter en trachtten hen moed in te spreken.

Gedurende de pauze werd alles uit de arena verwijderd, terwijl men op geregelde afstanden gaten in het zand maakte. Buiten juichte het volk ter eere van Nero; binnen was men bezig alles voor nieuwe martelingen gereed te maken. Opnieuw werd het traliewerk geopend en ontelbare Christenen traden binnen, naakt, een kruis op den schouder dragende. Menschen en kruisen waren met bloemen versierd. De circusknechten sloegen onbarmhartig op de Christenen los en dwongen hen hun kruis in het daarvoor bestemde gat te plaatsen en er zelf naast te gaan staan. Allen, die tot heden door de wilde dieren gespaard waren gebleven, moesten nu den kruisdood sterven. Zwarte slaven grepen de slachtoffers beet, wierpen hen op de balken neer en nagelden hunne handen en voeten haastig vast, opdat de menigte na de pauze de kruisen opgericht zou vinden. Het circus weerklonk van de hamerslagen en de echo daarvan drong door tot de tent, waar Nero zijn gasten onthaalde.

Onder de slachtoffers van dien dag bevond zich ook Crispus Te alleri tijde tot sterven bereid, verheugde hij zich over het naderen van zijn stervensuur. Hij was nauwelijks meer te herkennen, want zijn uitgeteerd lichaam was geheel naakt; slechts een gordel van klimopbladeren droeg hij om de heupen en een krans van rozen dekte zijn hoofd. Maar in zijn oog blonk nog hetzelfde vuur, zijn geest was dezelfde gebleven. Evenmin als vroeger toen hij zijne medebroeders met den goddelijken toorn dreigde, had hij thans vertroostende woorden voor hen. „Dank den Verlosser," riep hij hun toe,

Sluiten