Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dadelijk bij het begin der voorstelling was Nero verschenen, als wagenmenner gekleed. Hij had plaats genomen in een prarhtigen circuswagen, door vier schirnmelhengsten getrokken. Hem volgden andere wagens, waarin de hovelingen gezeten waren, allen in hun prachtigste gewaden. Onder hen zag men senatoren, priesters, ja zelfs bacchanten, naakt en met bloemen getooid, wijnkruiken dragend, de meesten dronken en wild juichend. Daarop volgden muzikanten als faunen en saters gekleed, met. citers, fluiten en hoorns; en bij dit alles Rome's aristocratie, die als dol den tuin in alle richtingen doorkniiste.

Nero, die Tigellinus en Chilon bij zich had en zich vermaken wilde met de ontsteltenis van den laatste, men de zelf de hengsten. Stapvoets rijdend vermeide hij zich in het aanschouwen van de brandende lichamen en luisterde naar de toejuichingen van het volk. Van tijd tot tijd hield hij stil om op zijn gemak een slachtoffer gade te slaan, dat langzamerhand ineenschrompelde of 't krampachtig vertrokken gezichtje van een kind te bekijken. Daarna dreef hij het vierspan weer verder. Somtijds groette hij het volk of hield de vergulde teugels aan om zich met Tigellinus te onderhouden. Bij de groote fontein gekomen, die in het midden van den tuin stond, steeg hij uit den wagen, gaf zijn gevolg een wenk en mengde zich onder de menigte. Jubelende bijvalsbetuigingen begroetten hem. Tusschen Tigellinus en Chilon voortschrijdend, liep hij de fontein rond, waar ongeveer tien levende fakkels omheen stonden, en bleef voor elk slachtoffer afzonderlijk staan. Hij bespotte den ouden Griek, in wiens trekken de grootste ontzetting te lezen was. Eindelijk hield hij stil voor een grooten, met klimop omwonden paal. De vlammen hadden nog slechts de knieën van het slachtoffer bereikt, maai- zijn gezicht was door den dikken rook niet te herkennen. Doch al spoedig verdreef een zacht koeltje den ïook en een grijs hoofd, met tot op den schouder afhangend wit haar, werd zichtbaar.

Chilon kromp als een gewond dier ineen en een snijdende kreet klonk van zijne lippen: „Glaucus! Glaucus!"

Deze zag van den brandenden paal op hem neer. Hij leefde nog en boog het hoofd om zijn beul een laatsten blik toe I'ï werpen, den man, die hem verraden, hem vrouw en kinderen ontroofd had, hem zelfs naar 't leven had gestaan; die, nadat hij hem in Christus' naam alles vergeven had, hem aan den beul had overgeleverd. Nooit was er iemand

Sluiten