Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men drong tot den ouden man door om hem van na derbij te bezien. Hier en daar riep er een: „Houdt hem!" Men hoorde sissen: „Roodbaard ! Moedermoordenaar! Brandstichter!" Het oproer groeide van minuut tot minuut aan. Eenige verbrande palen vielen om, wierpen gloeiende stukken hout tusschen de menigte en maakten de verwarring nog grooter. Eene dichte volksmassa sleepte Chilon inet zich mee en voerde hem dieper den tuin in.

De palen waren eindelijk verkoold, vielen in elke richting over de tuinpaden en vervulden de lucht met een verstikkende lucht van rook, verbrand hout en gezengd vleesch. 'tEene licht na 't andere verdween en langzamerhand was de tuin in duister gehuld. De verschrikte en verbitterde menigte drong naar de poorten, 't Gebeurde ging van mond tot mond, verminkt en vergroot. Eenigen zeiden, dat de Keizer in onmacht was gevallen, anderen, dat hij bekend had de brandstichter te zijn, weer anderen, dat hij zwaar ziek was geworden en men hem voor dood in zijn wagen had wegge voerd. Hier en daar hoorde men uitroepen van medelijden met de Christenen.

Chilon echter dwaalde doelloos in den tuin rond. Hij was nu weer de zwakke, zieke en hulpelooze grijsaard. Nu eens struikelde hij over halfverbrande lichamen, dan weer stiet zijn voet tegen eene der levende fakkels en werd hij overstroomd door een vonkenregen, tot hij eindelijk ging zitten en wezenloos voor zich uit staarde. Maar de oogen van Glaucus Ideven hem in de duisternis voortdurend aanstaren. Verschrikt sprong hij op en als door eene onzichtbare macht gedreven, v/as hij spoedig weer bij do fontein, waar Glaucus den geest bad gegeven.

Eene hand raakte zijn schouder aan. Zich omkeerend zag bij een onbekende voor zich staan.

„Wie zijt gij?" vroeg hij verschrikt.

„Paulus van Tarsus," luidde het antwoord.

„Ik ben vervloekt! — Wat wilt gij?"

„U redden," hernam de apostel.

Chilon leunde tegen een boom. Zijn voeten waren als verlamd, zijne armen hingen slap neer.

„Voor mij is er geen redding meer," sprak hij somber.

„Weet ge niet, dat de Heer, aan 't kruis hangend, den berouwvollen zondaar genadig vergaf?"

„Kent gij mijne vele zonden?"

„Ik zag uw lijden en hoorde uw getuigenis van de waarheid."

Sluiten