Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er daalde zichtbaar vrede neer in zijn berouwvol hart. Niemand lachte, want uit dezen gekruisigden mensch sprak zulk eene groote rust, hij was zóó oud, zóó weerloos, zóo zwak. zijn toestand was zóó deerniswekkend, dat iedereen zich onwillekeurig afvroeg, hoe men iemand, die al stervende was, nog zoo martelen en aan het kruis nagelen kon.

De menigte zweeg. Vestinius fluisterde den naast hem staan den hovelingen met bevende stem toe: „Zie, hoe zij sterven!" Anderen verlangden naar de komst van den beer, om zoo gauw mogelijk een eind aan dit schouwspel te zien.

Nu betrad de beer de arena, zijn neerhangenden kop van de eene zijde naar de andere wendend, rondom zich kijkend, alsof hij aan iets dacht of iets zocht. Eindelijk bemerkte hij het kruis en het ontbloote lichaam. Hij naderde het, ging op zijn achterpooten staan, maar liet zich een oogenblik daarna weer neervallen, legde zich onder het kruis op den grond en begon te brommen; 't scheen wel, alsof er zelfs in dit wilde dier medelijden opwelde voor dit geraamte van een mensch.

De slaven van het circus hieven een geschreeuw aan, om den beer op te hitsen, maar de toeschouwers bleven in hun zwijgen volharden.

Chilon bewoog langzaam het hoofd en zijn blik gleed over de menigte, tot op eens zijne oogen bleven rusten op de bovenste rijen van het amphitheater; er scheen meer leven in zijn borst te komen en er had eene verandering aan hem plaats, die aller verwondering wekte. Een glimlach verhelderde zijn gelaat en zijne oogen, waaruit twee groote tranen welden, blikten verheerlijkt ten hemel.

Een seconde later was hij uit zijn lijden verlost.

Daar weerklonk een krachtige mannenstem boven uit het amphitheater:

,,Dat de martelaren rusten in vrede!"

In het circus heerschte de diepste stilte.

HOOFDSTUK LVII.

Na de voorstelling in den keizerlijken tuin waren de gevangenissen tamelijk leeg geworden. Wel werd er nog altijd

Sluiten