Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de wijsheid van den arbiter op te vangen en die later voor hunne eigene uit te geven.

„'t Schijnt mij toe, dat ik nog niet geleefd heb, zooals de tijd 't eischt," zei Nero, „en ik in Griekenland eerst tot het ware leven ontwaken zal."

„Gij zult u daar de onsterfelijkheid verwerven," antwoordde Petronius.

„Ik hoop, dat 't zoo zal zijn," vervolgde de Keizer, „en t Apollo's ijverzucht niet zal opwekken. Als ik in triomf terugkeer zal ik hem zooveel offeranden brengen, als ooit eenig god gebracht werd. Het schip ligt gereed in Napels, ik zou gaarne morgen reeds vertrekken."

Petronius stond op, keek Nero vast in de oogen en zei:

„Sta mij toe, o, godheid, een bruiloftsfeest te vieren, waartoe ik u vóór alle anderen zal uitnoodigen."

„Een bruiloftsfeest?" vroeg Nero verwonderd.

„Ja, en wel dat van Vinicius met uwe gijzelaarster, de dochter van den Lygiërkoning. Zij is op 't oogenblik in de gevangenis, dat is waar; maar volgens de wet zou zij geen gevangene mogen zijn en bovendien hebt gij zelf \ inicius vergunning gegeven haar te huwen. En daar uwe besluiten onveranderlijk zijn als die van Zeus, zult gij zeker wel bevel willen geven, haar de vrijheid te schenken — dan zal ik haar bij uw gunsteling brengen."

De koelbloedigheid en kalme zelfbeheersching van Petronius brachten Nero, die altijd 't spel verloor, wanneer iemand op die wijze met hem sprak, in verwarring.

„Ik weet het," zei hij, de oogen neerslaande, „ik heb aan haar en aan dien reus, die Croton doodde, gedacht."

„Dan zijn beiden gered," antwoordde Petronius rustig.

Tigellinus kwam zijn heer echter te hulp.

„Lygia is op bevel van den Keizer gevangen genomen en gij zeif, o, Petronius, hebt gezegd, dat 's Keizers besluiten onveranderlijk waren."

Daar alle aanwezigen de geschiedenis van Vinicius en Lygia kenden, begrepen zij dadelijk waarom 't hier te doen was; zij zwegen daarom en wachtten nieuwsgierig den afloop van het gesprek af.

„Dat is zoo," antwoordde Petronius met nadruk, „maar dat is een gevolg van uwe onbekendheid met het volkenrecht. Gij zult toch niet durven volhouden, dat het meisje schuldig is aan den brand van Rome. Zelfs de Keizer zou dat nie: gelooven."

Sluiten