Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op te zoeken, om hem te vragen hoe 't met Lygia s gezondheid gesteld was. Zij was buiten gevaar. Uitgeput door de koorts, zouden de slechte lucht en de ontberingen haar ongetwijfeld gedood hebben, indien zij langer in de gevangenis had moeten blijven. Maar nu zou zij spoedig herstellen door de zorgvuldige verpleging. Op raad van den arts bracht mpn haar na verloop van twee dagen in den tuin, waar zij uren lang vertoefde. Vinicius versierde haar stoel met anemonen en vooral met irissen, om haar aan Aulus' huis te herinneren. In de schaduw der boomen spraken zij dikwijls hand in hand over al hot doorges'ane leed. Lygia zei, dat Christus hun met opzet dit leed te dragen had gegeven, om zoo hunne zielen te bekeeren en tot Hem te brengen. Vinicius voelde, dat zij waarheid sprak, dat er in hem niets was overgebleven van den vroegeren patriciër, wiens eigen wil slechts gold. Maar in deze herinneringen lag niets bitters. 'tWas hun alsof er jaren overheen gegaan waren, alsof dat vreeselijke verleden ver, ver achter hen lag. Een ongekende vrede was in hunne harten neergedaald. Do Keizer mocht heersehen en de wereld met schrik vervullen, zij wisten een Beschermer boven zich, duizendmaal machtiger dan Nero; zij gevoelden geon vrees meer voor zijne woede en boosheid; voor hen hnd nj opgehouden heer over leven en dood te zijn.

Eens op een morgen vernamen zij het ver verwijderd gebrul der leeuwen en andere wilde dieren in de vivari^n. Vroeger had dit gehuil Vinicius met vrees vervuld, omdat het als een slecht voorteeken gold; nu keken Lygia en hij elkaar zwijgend aan en hieven hunne oogen ten hemel. Van tijd tot tijd sluimerde Lygia in den tuin jn; hij waakte dan over haar, beschouwde haar gelaat en zei dan onwillekeurig tot zichzelf, dat zij niet meer dezelfde Lygia was, die hij in Aulus' tuin gezien had.

Inderdaad hadden de gevangenschap en do ziekte hunne sporen bij haar achtergelaten. Toen hij haar in Aulus' huis zag en later, bij haar ontvoering uit Miriams' woning, was zij schoon, geleek zij eene wondere bloem. Nu was haar gelaat bijna doorzichtig, haar lichaam door ziekte en ontberingen uitgeput, hare handen waren vermagerd, do lippen verbleekt en zelfs hare oogen schenen minder blauw te zijn dan vroeger. De goudlokkige Euniehe, die haar bloemen' bracht en kostbare stoffen om hare voeten te dekken was als 't ware de godin der schoonheid zelf.

Petronius trachtte te vergeefs de vroegere bekoorlijkheden

Sluiten