Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Eene gestalte komt in den glans der zon op ons toe."

Maar niet 't minste geluid van voetstappen deed zich hooren. Diepe stilte heerschte alom. Nazarius zag slechts in de verte de hoornen bewegen, als werden zij door eene onzichtbare hand geschud. De vlakte werd meer en meer verlicht. Verbaasd keek de knaap den apostel aan.

„Heer, wat scheelt u?" riep hij ontsteld uit.

De pelgrimsstaf ontviel aan de hand van den apostel; onafgebroken staarde hij in de verte. Zijn mond was geopend, verbazing, zaligheid, verrukking waren op zijn aangezicht te lezen.

Plotseling wierp hij zich met uitgestrekte armen op de knieën en een kreet kwam over zijne lippen:

„Christus! Christus!" En hij viel voorover in het stof, als kuste hij iemands voeten.

Na lang zwijgen sprak de apostel snikkend:

„Quo Vadis, Domine?" („Waarheen gaat gij, Heer?")

Nazarius hoorde het antwoord niet, maar in Petrus' oor weerklonk eene droevige, zachte stem:

„Ik ga naar Rome, om nog eenmaal gekruisigd te worden, als gij Mijn volk verlaat."

De discipel des Heeren lag in het stof gebogen. Nazarius meende dat hij bewusteloos of dood was. Doch eindelijk stond hij op, omklemde met sidderende hand zijn staf en keerde op zijn schreden terug.

De knaap volgde hem, terwijl hij als eene echo herhaalde:

„Quo Vadis, Domine?"

„Naar Rome," zei de apostel zacht.

Vol verbazing werd hij daar door Paulus, .Tohannes, Linus en de andere geloovigen ontvangen. Hun schrik was des te grooter, omdat bij 't aanbreken van den dag, onmiddellijk na zijn vertrek, pretorianen het huis van Miriam omringd en doorzocht hadden om hem gevangen te nemen. Doch op alle vragen antwoordde Petnis altijd weer met een zaligen glimlach :

„Ik heb den Heer gezien."

Op den avond van deuzelfden dag sprak hij de menigte weer toe in het Ostrianum en doopte allen, die zich in het water des levens wilden reinigen.

Van nu af ging hij er dagelijks heen, gevolgd door steeds aangroeiende scharen, 't Was, alsof uit eiken vergoten traan van een martelaar niet'we Christenen geboren waren, alsof elke zucht in de arena in duizend harten eene echo gevonden

Sluiten