Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reuds, dat hij vallen moest en kende ook de reden. Daar de Keizer als komiek, tooneelspeler en wagenmenner zich dagelijks meer en meer vernederde, hoe langer hoe meer zich overgaf aan de ruwste en laagste uitspattingen, moest de fijnbeschaafde arbiter een last voor hem worden. Bleef Petronius zwijgen, dan zag Nero hierin eene afkeuring; prees de arbitei hem, dan meende hij zich belachelijk gemaakt te hebben. De begaafde patriciër beleedigde zijne eigenliefde en wekte zijne afgunst op. Zijn rijkdom, zijne prachtige kunstwerken waren het doel van Nero's wenschen en die van zijn almachtigen minister. Petronius werd nog slechts geduld ter wille van de reis naar Achaje, maar Tigellinus trachtte telkens weer den Keizer te bewegen Carinas in Petronius plaats mee te nemen, die den arbiter nog in fijnen smaak overtrof. En daarmee was Petronius verloren. Toch waagde men het niet hem zijn vonnis in Rome aan te zeggen; het volk toch was op de hand van den arbiter en zou niet straffeloos toelaten, dat hij als offer van Nero viel. Daarom kreeg hij de uitnoodiging zich met de andere hovelingen naar Camae te begeven. Hij ging er heen met een voorgevoel van wat er ophanden was; deels om den Keizer en den hovelingen nog eenmaal zijn vroolijk en zorgeloos gezicht te laten aanschouwen, deels om niet openlijk te weerstreven en ook, om vóór zijn dood nog een laatste overwinning op Tigellinus te behalen.

Intusschen werden zijne lieden, die hij in Rome had achtergelaten, gevangen genomen en werd zijn huis door pretorianen omsingeld. Toen Petronius dit hoorde toonde hij noch onrust noch boosheid en zei glimlachend tot de hovelingen, die hij in zijn prachtige villa ontving:

„Roodbaard houdt niet van rechtstreeksche vragen, daar om zult ge zijne verwarring eens zien, wanneer ik hein vraag, wie het bevel heeft gegeven mijne „familia" in de hoofdstad gevangen te zetten." Daarna noodigde hij hen uit tot een feest „vóór de lange reis" en juist waren de toebereidselen daarvoor gereed, toen hij Vinicius' brief ontving.

De inhoud daarvan stemde hem eenige oogenblikken tot nadenken, maar spoedig hernam zijn gelaat de gewone uitdrukking en nog dien zelfden avond antwoordde hij 't volgende :

„Ik verheug mij over uw geluk en bewonder uwe harten, want ik had niet gedacht, dat twee geliefden aan een derden

Sluiten