Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heentrokken om de fauna en flora der Tropen te leeren kennen. rumphius (1653—17°2) was een der eersten; zijn hoofdwerk „D'Amboinsche Rariteit-Kamer" geldt ook thans nog als een standaardwerk. Vele geleerden volgden zijn voetspoor; hun namen te noemen ligt niet op den weg van dit boekje, al mogen wellicht met een enkel woord wel de mannen herdacht worden, die als leden der „Natuurkundige Commissie voor Nederlandsch-lndië", tusschen 1820 en 1850 uitgezonden werden en waarvan zoovelen den heldendood in Indië vonden als slachtoffers van de taak, die zij op zich genomen hadden; want het doen van wetenschappelijke reizen was in dien tijd met oneindig meer gevaren verbonden dan thans, nu stoombooten de reizigers snel van het eene eiland naar het andere brengen en geconserveerde levensmiddelen het medenemen van proviand zooveel gemakkelijker maken.

De aandacht van al deze door Holland uitgezonden geleerden, voorts van ALFRED RUSSEL WALLACE, den beroemden Engelschen natuuronderzoeker, die van 1854—1862 den Archipel bereisde en eindelijk nog van enkele geleerden, die groote Expedities vergezelden, welke verschillende vreemde natiën uitgezonden hadden, was voornamelijk op de landfauna en flora gericht, al hielden ook velen zich bezig met het onderzoek der organismen, die de zeeën bewonen. Dit onderzoek, dat ons hier meer bepaald belang inboezemt, beperkte zich echter in hoofdzaak tot de kusten en aangezien deze bij de talrijkheid der eilanden, die den Archipel vormen, een onmetelijke uitgestrektheid hebben, kon slechts hier en daar een punt nauwkeuriger onderzocht worden; zoobijv.de baai van Batavia door Prof. SLUITER, de koraalriffen van Talisse bij Menado door Pi of. SvDNEY J. HlCKSON en die van Ternate door l'rof. W. KüKENTHAL; terwijl Prof. E. VON MARTENS reeds in 1861 —1863 verschillende'oostelijke eilanden onderzocht had. Mannen als Brock, Bedot en SEMON moet ik hier met stilzwijgen voorbijgaan om niet al te uitvoerig te worden.

Sluiten