Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ingang op 50 M. en vervolgens, ten westen van Sangeang, op 2600 M. diepte gedregd. Een rijke buit beloonde dit keer de moeite en vervolgens werd koers gezet naar de Sapeh baai waar TYDEMAN gehoopt had zoetwater in te kunnen nemen, maar de gelegenheid was niet gunstig en daarom werd doorgestoomd naar Laboean Badjo aan de westkust van Flores.

De zoetwater-quaestie was een vraag van groot gewicht voor ons en onze machines, want de ketels moesten met zoetwater gevuld worden. Wij konden wel is waar water distilleeren, maar dat kostte natuurlijk kolen en op kolen waren commandant en hoofdmachinist al even zuinig als op water, want voor al onze werkzaamheden als dreggen, looden etc., overal was stoom voor noodig. Steeds was het op al onze verdere tochten een belangrijke vraag hoe met den voorraad steenkool uit te komen, daar er zoo weinig kolenstations in het oostelijk gedeelte van den Archipel zijn, waar men zijn kolenvoorraad aan kan vullen. Gebrek hieraan is zeker dikwijls een nachtmerrie voor onzen hoofdmachinist geweest en toen wij hem eens, op de lange tochten in het verre Oosten, met een bezorgd gelaat de campagne op zagen komen om den commandant te spreken, wisten wij al hoe laat het was.

Wanneer het regende, hetzij dag of nacht, altijd hield de commandant een waakzaam oog in 't zeil of er toch wel regenwater verzameld werd, dat voor de machines of voor de baden gebruikt kon worden. De zijzeilen van onze tent werden dan omgeslagen, vastgebonden en tot goot gepromoveerd, waarin het water, dat op de tent viel, opgevangen en naar groote tonnen gevoerd werd. Wat kon onze commandant bij zware regenbuien mopperen „dat onze lieve Heertje zoo met regenwater morste en er zooveel in zee verloren ging".

Te Laboean Badjo aan de westkust van Flores is een parelvisscherij van den heer DE SISO gevestigd en WEBER hoopte door middel der parelvisschers zijn collectie te verrijken met voorwerpen, die voor de dregnetten niet te bereiken

Sluiten