Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewoners van Atja-Toening waren niet allen Papoea's, velen deden eerder aan Boegineezen denken, hoewel ook dit type niet meer zuiver aanwezig was. De geheele manlijke bevolking begeleidde ons tot boven op den heuvel, ongeveer 150 M. hoog, waar kleine tuinen aangelegd waren, en scheen verwonderd en nieuwsgierig, wat wij hier wel kwamen doen. Veel leverde het verblijf te Atja-Toening overigens niet op; en niemand onzer betreurde het, toen wij den volgenden dag Nieuw-Guinea vaarwel zeiden. De commandant was nog het best tevreden; hij had bij een zich in zee stortenden waterval den voorraad zoetwater laten aanvullen.

Den nacht na ons vertrek van Atja-Toening was de zee weder erg woelig en stampte de Siboga afschuwelijk; tegen den ochtend verminderde de deining en om zes uur werd gelood. In plaats van 1500 M., zooals de kaart aanwees, werd echter slechts eene diepte van 924 M. gevonden. Onmiddellijk werd daarom de kor uitgezet, die goed gevuld boven kwam. Een tweede looding om één uur wees slechts 846 M. aan; de groote diepte op de kaart vermeld berust mogelijk op een fout. Is echter de looding op de kaart vermeld juist, dan zijn al deze loodingen weder een sprekend bewijs voor de groote oneffenheid van den bodem in den Archipel.

Spoedig na onze tweede looding kregen wij Ceram in zicht, dat ons opviel door de steile helling van twee achter elkander zich verheffende bergen, die geen vulkanen zijn. Om vijf uur viel het anker voor Gisser, een klein koraaleiland aan de zuidoostelijke punt van Ceram gelegen. De posthouder kwam dadelijk aan boord; hij was een oud man van Ambon geboortig en had iets zeer leuks over zich. WEBER overhandigde hem, zooals hij altijd in dergelijke gevallen deed, den aanbevelingsbrief, dien de Gouverneur-Generaal WEBER had mede gegeven, en toen nu de posthouder van den inhoud kennis had genomen, vouwde de leukert den brief netjes op en zeide alleen: „Ziezoo, dat weten wij alweer".

Sluiten