Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij bezochten den volgenden ochtend met vlet en stoomsloep het eiland, dat wit was van de uitwerpselen van zeevogels, die in groote vluchten krijschend opvlogen toen wij naderden, om spoedig weder op rots of boomstam neder te strijken. De koraalrotsen waren hier uiterst grillig door de golven afgebroken en uitgehold; tusschen de vele spleten, die de rotsen kenmerkten, vond ik verscheidene mooie algen, terwijl de buit der zooiogen slechts gering was.

Tusschen Kabia en Binongka bleven wij drie volle dagen en nachten zonder ankeren op zee. Het was intusschen een tegenvaller, dat de oostmoesson steeds nog doorstond; wij hadden er eigenlijk op gerekend, dat de kenteringstijd met zijn windstilten reeds zou begonnen zijn. In plaats daarvan joeg de oostmoesson door zijn vrij harden wind de golven op en bemoeilijkte het werken met de instrumenten; ook liep er tusschen deze eilanden een vervaarlijke stroom, waardoor een korring op 2470 M. mislukte; bij het ophalen toch van het net bleek, dat dit den bodem niet geraakt had en alleen dieren bevatte, die boven den bodem drijven of zwemmen. Met de Monaco-fuik, die op groote diepte gedurende een nacht uitgezet en door een boei kenbaar gemaakt was om den volgenden dag opgehaald te worden, werden slechts twee garnalen gevangen, met recht een schamele vangst voor de vele moeite aan het uitzetten en inhalen verbonden. Van een tweede korring in de nabijheid der zelfde plaats moest den volgenden dag worden afgezien, omdat wij een diepte loodden ven 4000 M. Zulk een korring zou natuurlijk vele uren duren en te veel eischen van het machinepersoneel, dat toch al vermoeid was van de diepe korring van den vorigen dag en bovendien wilde WEBER, als er diep gekord werd, die korring liever op grooteren afstand van eilanden doen, dan wij thans van Binongka verwijderd waren.

De kans om te Binongka een goede ankerplaats te vinden scheen gering, want op een afstand van vijftien mijlen

Sluiten