Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werk en keerde bij kleine troepjes naar Djeroesoe terug. Wat moeten die menschen verbaasd hebben opgekeken, daar plotseling op hun stil boschpad die blanke vreemdelingen te zien. Zij weken eerbiedig ter zijde en genoten zeker van de hun zoo onverwachts geboden kans om ons eens goed op te nemen. Zou de indruk dezelfde geweest zijn als bij de Florineezen? Toen wij in 1888 in Flores reisden, hadden wij altijd veel bekijks, wanneer wij te paard door een kampong kwamen. „Menschen", vroeg de pastoor, die te Sikka gevestigd was, eens aan de bevolking, „vertel mij toch eens wat jullie wel het meest opvallend aan die vreemdelingen vindt?" „"Dat de dame in het midden zoo dun is", klonk het antwoord.

's Avonds woedde een vreeselijk onweder met hevige regenbuien boven Roma; wij wisten haast niet waar wij ons moesten opbergen, zoo sloeg de regen onder de tenten door op het dek. Toch lagen wij veilig beschut voor de hevige rukwinden; in den oostmoesson daarentegen, is juist deze zijde van het eiland dikwijls ongenaakbaar door de hevige branding, die het gevolg is van den lang doorstaanden oostenwind. Een der onderwijzers vertelde weber, dat hij een aanschrijving had gehad van den posthouder van Letti, om hem te verwittigen, dat de heer Verbeek met den controleur van Toeal te Roma zoude komen voor geologisch onderzoek. Toen de heeren met de stoomboot voor Roma lagen, heerschte echter de oostmoesson en was de branding zoo hevig, dat zij onmogelijk konden landen en onverrichter

zake terug moesten keeren.

In den morgen bedaarde de wind maar de regen blee aanhouden; desniettemin ging WEBER om zes uur naar het rif; men werd daar toch nat, een beetje regenwater meer of minder deed er zooveel niet toe. De moeite werd goed beloond en ook versluys, die met de stoomsloep was traan dreggen, kwam met een mooie vangst terug. Wij aan boord hadden het intusschen ook al druk; de goeroe

Sluiten