Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wier aantal allengs toenam, toen hij kleinigheden met hen begon te ruilen tegen dieren, die zij op het rif gevangen hadden. Den volgenden morgen vergezelde ik hem en ondervond weder levendig de bekooring, die er van wilde volkstammen uitgaat, die eerst weinig of nimmer met Euro-

— . n nnrQ-

jeailCU lil cicwi»".

king waren, en zich nog geheel geven, zoo als zij zijn. De mannen waren groote flinkgebouwde menschen, die niets anders droegen dan den tjidako en eenige armbanden, die de bovenarmen versierden; een mand hing los over hun schouder aan een dun touwtje. Het meest opvallend aan hen was hun kapsel; zij hadden het lange, golvende haar strak naar voren getrokken, en boven heel voor op het hoofd tot een knoop samenge¬

bonden. In die knoop staken allerlei soort kammen en spelden, ook lange kammen met een gat er boven in, waardoor een bos hanenveeren gestoken was, die bij elke beweging van het hoofd wapperden en eene strijdlustig en kra-

Sluiten