Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nig voorkomen gaven. Geweldige vuursteen-geweren, rijk met koper versierd, verhoogden den krijgshaftigen indruk. Wij kwamen evenwel spoedig op een goeden voet met de inboorlingen ; de een verkocht zijn kam en hanenvederen voor een zakdoek en een handjevol tabak, anderen gaven eenige visschen voor een mes en allen vroegen om sirih en tabak, niet het minst de vrouwen. Deze droegen korte, met blauw en bruinrood gekleurde, maar innig vuile sarongs, die van het midden tot aan de knieën reikten en het bovenlijf naakt lieten. Ook zij droegen een mandje bij zich, om hetgeen zij op het rif vingen te bewaren. Bij hen waren de ooren het meest versierd; bij eene vrouw telden wij twaalf koperen ringetjes, die boven elkaar langs den rand van het oor waren gestoken; aan het bovenste ringetje hingen bovendien nog twee speldjes. Wij namen elkander over en weer terdege op en genoten Wederzijds; een man, het kamponghoofd, sprak een paar woorden maleisch en verzekerde nooit Portugeezen gezien te hebben; hij beduidde ons, dat hun kampong, waarvan wij geen spoor konden ontdekken, hoog boven in het bosch lag, en dat zij in oorlog waren met een naburige kampong. Zij waren nog echte natuurkinderen, bevoelden alles wat wij aanhadden en raakten in verrukking over onze kleine glazen buisjes, waarvan zij er enkelen ten geschenke kregen. Het kamponghoofd vroeg of WEBER mijn man was? „Ja". — Toen wenkte hij een jonge vrouw, wees op haar en zeide „bini". Dat was zijn vrouw en hij beduidde, dat ik haar de hand moest geven terwijl hij de hand van WEI3ER schudde.

TYDEMAN, die over ons lang uitblijven ongerust werd, vooral omdat hij in de verte mannen met lange vuursteengeweren langs het strand had zien loopen, zond BoLDINGH met de sloep om te zien, hoe het ons ging. Het gebeurde met de „Pel" zat TYDEMAN nog dwars en hij vertrouwde het zaakje maar half. Onze vriendschappelijke verhouding stelde BoLDINGII echter gerust en onze vrienden zeiden,

Sluiten