Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat die mannen met de geweren van de vijandelijke kampong kwamen. Wij wandelden toen allen gezamenlijk over het rif naar het bosch toe, waar de wilden ons jonge klappers gaven om te drinken. Het kamponghoofd verzette er zich echter tegen, dat wij hem naar zijn kampong zouden vergezellen; hij bedacht uitvluchten, het was „te ver", en wij durfden er niet te veel op aandringen. Op de vraag van Weber, of ze bij ons aan boord wilden komen en kippen en klappers brengen, schudde hij het hoofd en zeide: „Takoet, pottong kapala" — ik ben bang, dat ge ons het hoofd zult afsnijden —, en hij maakte een beweging met de hand tegen zijn hals, alsof zóó het hoofd zou afgehakt worden. „Tida, orang baiq" — „Wel neen, wij zijn goede menschen ', verzekerden wij, „kom maar gerust" en zoo namen wij afscheid, 's Middags kwamen de wilden met prauwtjes langszij der Siboga; wij wierpen hen ledige spuitwaterflesschen toe, die ze met graagte uit zee opvischten, doch op onze vraag aan boord te komen, klonk weêr het antwoord „Takoet, pottong kapala" en dezelfde beweging der hand tegen den hals.

„Djangan takoet", — wees maar niet bang, riepen onze matrozen, doch de Timoreezen roeiden weg.

Dat deze vrees zoo diep bij hen ingeworteld was, deed ons denken, dat hier wel eens ongerechtigheden gebeurden. Weber kon uit hun onsamenhangende verhalen evenwel niet anders opmaken, dan dat van tijd tot tijd Chineezen uit Singapore kwamen, om honig en andere produkten te ruilen tegen geweren, buskruit enz.

Eerst den volgenden dag waagden twee oude mannen zich aan boord, zij liepen naar voren, moesten allerlei zien, maar de een draaide zich voortdurend om en vroeg dan telkens „tida pottong?" Voor klappers, die zij medebrachten, kregen zij tabak; heel edelmoedig waren deze heeren der schepping hierbij niet, want zij verdeelden de tabak dadelijk tusschen hun beiden „daar anders de vrouwen er ook nog maar van hebben wilden! ' Verder dan dit eene bezoek aan

Sluiten