Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het plateau, waarop Madoera en Kangeang rusten. De looding wees 840 M. aan, waaruit, vergeleken bij de groote diepte der omliggende zeeën, deze samenhang duidelijk blijkt. In de nabijheid van Sailoes-besar werd, evenals het vorige jaar, door ons gekord ; was het net toen, na eenige strubbelingen, met een vangst bovengekomen, die ons verrukte, ditmaal overtrof de rijkdom aan dieren dien van het vorige jaar verre, 't Was, alsof op het laatst de zee ons wilde doen vergeten, hoe talloos veel decepties zij ons had bereid, want ook een tweede korring op denzelfden dag gelukte goed, en bracht o. a. honderd en acht visschen in wel twintig soorten boven.

De Paternoster-eilanden verlatende, werd Kangeang nogmaals aangedaan, maar het anker viel thans aan de westzijde van het eiland. De Controleur, kwam dadelijk aan boord; hij vertelde ons evenals trouwens reeds alle hoofden van af Timor gedaan hadden, dat de westmoesson zoo bijzonder laat doorstond, dat men eigenlijk nog geen westmoesson had gehad, het donderde wel dagelijks maar de regen bleef uit. De Controleur maakte zich ernstig bezorgd over den rijstoogst, als de regens niet spoedig kwamen. De Wedono, dit is de titel voor zekere inlandsche ambtenaren, dien wij den volgenden morgen bij een tocht naar een fraaie druipsteen grot spraken, klaagde al evenzeer over gebrek aan regen, doch voegde er hoffelijk aan toe: „Toewan Allah zal misschien vandaag uit „hormat' voor de blanke bezoekers wel regen geven." Gelukkig regende het dien avond inderdaad ook flink; den Wedono zal dit zeker wel met eerbied vervuld hebben voor de blanke bezoekers, die op zoo'n goeden voet met Toewan Allah stonden! Overigens kregen wij den indruk, dat men in Indië naar den westmoesson hunkert, als bij ons naar het voorjaar, en telkens denkt, dat hij komen zal, om even vaak als wij

teleurgesteld te worden.

De grot van Kangeang leverde nog vele luchtalgen en

Sluiten