Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veel geleerd hehben als onze ouders 0111 de drie maanden een week of drie op reis gingen en zich gedurig ergens anders vestigden. Maar toch kwam er gewoonlijk meer van terecht dan men meestal vermoedt. De Boeren zijn over 't algemeen zeer godsdienstig en zorgden zooveel mogelijk dat er in elk laager een predikant was. Aan velen van hun godsdienstleeraars hebben ze ontzaglijk veel te danken gehad; want predikant zijn in Zuid-Afrika is, en was vooral in die tijden, geen renteniersleven. Daar stond tegenover dat een rechtschapen predikant ook onbeperkt vertrouwen genoot en dat het beste nooit voor hem te goed geacht werd. Meestal zorgde de predikant ook zoo goed het ging voor de ontwikkeling der kinderen. Veel wetenschap was er niet noodig. De meerderheid der Boeren zijn heldere koppen, begaafd met een goede dosis gezond verstand; lezen behoorde men te kennen; aan schrijven werd niet meer dan het hoognoodige gedaan; rekenen leert ieder nog al spoedig zoover dat hij kan zorgen niet al te zeer beet genomen te worden. Wat vreemde talen betreft: het versje van „Oom Jan" is uit het hart van den echten Boer gegrepen:

„Een ider nasie het sijn taal,

Ons praat van Kaap tot in Transvaal

Wat almal maklik kan verstaan.

Wat gaat die ander tale ons aan?

Ons praat so 's Pa en Oupapa,

Die Landstaal van Suid-Afrika."

De grammaire van die „Landstaal" is ook niet heel omvangrijk. Men kan ze samenvatten in den grondregel: „Schrijf soo 's jy praat".

Als dat idee in Nederland veld won, zou het den Hollandschen jongens heel wat blokken op eigen en vreemde talen uitwinnen!

Verder bestaat de opleiding voor een goed deel in „beesten (ossen) en pèrden door en door te kennen", met de „beesten"

Sluiten