Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij, „want nu zal je wel eenige drukking kunnen velen."

Griete beet zich op de lippen, als wilde zij zeggen: ,.'t doet mij toch nog zeer," maar zij zweeg en liet hem begaan.

Eenige oogenblikken later reden zij lachend en vroolijk, hand aan hand over de vaart, zonder zich er over te bekommeren, of hun schaatsen al dan niet met ijzer beslagen waren. Maar eensklaps begonnen de schaatsen van Hans een raar soort van geluid te geven, zijn streken werden al korter en korter, flap! daar lag hij zoo lang als hij was op het ijs te spartelen.

,.Ha, ha!" riep Griete lachend. „Daar ben je mooi te land gekomen." Maar even snel kwam het liefderijke zusterhart weer boven, en met een fikschen omzwaai stond zij, ofschoon nog altijd lachend, vóór haar gevallen broeder.

„Je hebt je toch niet bezeerd, Hans?" vroeg zij medelijdend. „O, je lacht. Dan is 't niets." En terwijl zij weer voortreed met wangen, gloeiend van de warmte, die de beweging haar had gegeven, en oogen, schitterend van genoegen, riep zij: „Hans, je kunt mij niet krijgen!"

Hans sprong weer op de beenen, maar 't was geen gemakkelijke zar.k om Griete in te halen: want zij was hem reeds een heel eind vooruit. Toch was zij nog niet ver, toen zij voelde, dat ook haar schaatsen begonnen te krassen. Daar zij nu de eer aan zich wilde houden, keerde zij zich om en reed haar vervolger in de armen.

„Gevangen!" riep Hans, terwijl hij haar stevig in zijn armen pakte.

„Ik heb jou gevangen," antwoordde Griete, die poogde zich uit zijn armen los te maken.

Juist op dit oogenblik klonk er een luide stem over de vaart: „Hans! Griete!'

„Moeder roept ons," zeide Hans, terwijl hij zijn zusje losliet.

Op dat oogenblik werd de vaart door de nu geheel en al opgekomen zon beschenen en begonnen er al meer

Sluiten