Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heur armoedig en verschoten gewaad schier vergeten zoudt hebben.

Toen de kinderen thuis kwamen, was moeder Brinker weer binnen en zat hun vader bij het vlammende vuur. Die vader was in vroegeren tijd een stevig werkman geweest, die voor vrouw en kinderen een eerlijk stuk brood verdiende. Maar jaren geleden, toen er midden in den nacht gevaar van overstrooming was en de man zich aan het werk had bevonden aan den dijk, die dreigde te bezwijken, was hij gevallen en bewusteloos thuis gebracht. Sedert dat oogenblik had hij niet meer gewerkt, en, ofschooi^ hij nog leefde, waren zijn verstand en geheugen weg.

Griete kende hem niet anders dan als „den zonderlingen, stillen man", wiens oogen haar volgden, waar zij ook ging; maar Hans herinnerde zich nog een hartelijken, vroolijken vader, die hem zoo pleizierig op zijn schouder kon dragen en die zoo mooi kon zingen, als hij 's avonds wakker lag en naar hem luisterde.

De arme vrouw Brinker had sedert dien tijd hard gewerkt. Zij toch moest den kost verdienen voor haar zelf, haar hulpeloozen man en haar niet minder hulpelooze kinderen. Met spinnen en breien trachtte zij daarin te voorzien, zelfs had zij zich tussehenbeide verhuurd, om in het zeel te loopen voor een schuit; maar sedert Hans sterk genoeg was geworden, had hij haar plaats vervuld. En het was ook wel noodig. dat vrouw Brinker thuis bleef: want, hoe hulpbehoevend Brinker ook was, hoewel hij niet meer verstand bezat dan een kind van drie of vier jaar, hij had toch de kracht van een man, en het kostte der arme vrouw vrij wat moeite, 0111 hem in bedwang te houden.

„Ach, kinderen," zeide zij somtijds, „hij was zoo goed en zoo verstandig! Zoo knap als een advocaat! Zou je wel willen gelooven, dat de burgemeester hem soms staande hield, om hem het een of ander te vragen. En nu, ach, lieve Hemel! nu kent hij zijn vrouw en kinderen niet meer! Jij kunt je uw vader nog wel voorstellen, niet

Sluiten