Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De jonge juffrouw heeft het geld aan jou gegeven, Hans. 't Zou mij leelijk staan, als ik ze nam."

Hans schudde vastberaden het hoofd, en zij gingen naaide hut hunner moeder: want bij de gedachte aan betere schaatsen, hadden zij de hunne afgebonden.

„Weet je wat, Hans," zeide Griete onderweg. „Ik weet goeden raad. Als je eens een paar schaatsen kocht, die te klein voor jou en te groot voor mij waren, dan konden we ze om beurten gebruiken."

Het voorstel scheen Hans zoo aanlokkelijk toe. 't Was een heele verzoeking; maar hij wierp die van zich.

„Dwaasheid, Griete!" riep hij uit. „Op een paar, die je te groot zijn, kun je niet voortkomen. Weet je nog wel, hoe je net als een blind kuiken voortstrompeldet, toen deze schaatsen je te groot waren. Eerst toen ik ze aan beide einden wat korter heb gemaakt, kon je er op rijden. Neen, je moet er een paar hebben, die je net van pas zijn, dan kan je je elk vrij oogenblik oefenen, tot de dertigste komt, en dan zal mijn kleine Griete de zilveren schaatsen winnen."

Griete kon zich niet bedwingen om te glimlachen bij het denkbeeld, dat Hans haar voor oogen stelde.

„Hans! Griete!" riep moeder Brinker.

„Wij komen, moeder!" antwoordde Hans.

Den volgenden dag was er geen trotscher en gelukkiger knaap in geheel Broek dan Hans Brinker, als hij naar zijn zuster keek, zoo flink als ze daar reed te midden van de schaatsenrijders, die de vaart op en neder zwierden. De goedhartige Hilda had haar een warm jacketje gegeven en moeder Brinker had de uitgebarsten schoenen weder in hun fatsoen gebracht.

Terwijl het kleine ding over het ijs heen snelde, was 't haar, of die blinkende schaatsen onder haar voeten haar eensklaps in het land der feeën verplaatst hadden, en in haai dankbaar hartje weerklonk het: „Hans, lieve goede Hans!"

Sluiten